De liefde

Provinciale_weg_232

19-5-2017

De Prakkiseur heeft al de spullen gereed gemaakt en stapt in zijn auto. Met de tomtom aan rijdt hij over de provinciale wegen, door uitgestrekte landerijen. Maar hij ziet niet veel, de Prakkiseur. Hij prakkiseert voornamelijk. De tomtom biedt hem daartoe voldoende gelegenheid, pijltje volgen, dat lukt nog wel. Deze keer is het ‘de liefde’ die hem bezighoudt. Zoals geluk te koop is, weet hij uit ervaring, zo is ook liefde te koop. En hij zal haar vandaag gaan halen, de liefde. Vooraf heeft hij het bedrag al overgemaakt, dat de liefde kost, daar hoeft hij niet meer over in te zitten. Hij parkeert zijn auto naast een afgelegen boerderij, er scharrelen wat kippen op het terrein. In de verte blaft een hond. Het miezert dus hij trekt zijn kraag op. Klopt aan de achterdeur. Een jonge vrouw doet open, ze glimlacht. De Prakkiseur wordt verwacht. Als ze aan tafel tegenover elkaar zitten, kijkt de vrouw hem wat langer aan, ze zegt: ‘Dan is het eindelijk zo ver…’ Hij knikt. Eindelijk is het moment gekomen om de liefde in ontvangst te nemen. In een paar minuten doorlopen ze de nodige papieren. De liefde vergt blijkbaar enig papierwerk zoals geluk vaak enig papierwerk vergt. Daarna gaan ze naar buiten. Vanachter een laag gaas, waar een aantal puppy’s spelen, tilt ze de juiste tevoorschijn. Ze toont hem. Groene nieuwsgierige ogen en flaporen. Zo kan de liefde er dus uitzien. De Prakkiseur opent de achterklep van zijn auto en vraagt of de vrouw misschien de pup in de Bench wil zetten. Hij ziet dat het haar moeite kost het los te laten. Daarvoor heeft hij alle begrip. Bij de overdracht van liefde mag wel even worden stilgestaan, daar wordt nog wel eens makkelijk overheen gestapt. Dan rijdt hij rustig van het terrein af. In zijn achteruitkijkspiegel ziet hij de vrouw kleiner worden. De pup staat trillend op achterpoten in de Bench, kijkt door de achterruit. Jankt steeds luider. Het gejank wordt pas na een half uur rijden minder, tot het kleinnood moe in slaap sukkelt. De Prakkiseur ziet het in zijn spiegel. De liefde heeft zojuist het nest verlaten en krijgt een ander onderkomen.

Prakkiseren

 

 

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

15-05-2017

Laatst liep er een man – van middelbare leeftijd, en niet al te opvallend van uiterlijk – sterk te prakkiseren, over wie hij nu in feite was; behalve een geslacht, een beroep, een partner, een homo sapien, enzovoorts, had hij geen idee. Zijn eigen existentie was hem, nu hij er eens goed over nadacht, volledig vreemd gebleven. Hij prakkiseerde zich een ongeluk. ‘Wie ben ik nu feitelijk? Wat ben ik het meest? Wat komt het dichtst in de buurt?’ tot diep in de nacht tuurde hij naar de hemel. Dagenlang hield het hem bezig, weken, maanden. Uit ervaring wist de man dat het hem pas zou loslaten als een ander onderwerp, een urgenter onderwerp, hem te binnen zou vallen. Pas dan kon hij het even laten gaan, of beter gezegd, dan verliet het hem vanzelf langzaamaan. Zo was het altijd gegaan. De onderwerpen kozen de man, de man niet de onderwerpen. Hij gaf het al bijna op, dit zou eeuwig duren, dit hield hem in de greep, hij kwam er niet uit. En plotseling, als een donderslag bij heldere hemel (hij stond even te staren naar een afgezaagde boomtak op de grond die desondanks aan het uitlopen was), wist hij het. En hij wist het zeker. Verdomd aan toe. Achteraf was het eigenlijk niet eens zo moeilijk geweest, achteraf: ‘Ik denk dus ik ben …’ riep hij uit. ‘… ik ben … ik ben gewoon een prakkiseur!’ ‘Niets meer en niets minder. Een prakkiseur!’ Het woord beviel hem buitengewoon goed, prakkiseur, waarom kon hij niet verklaren. Koortsachtig begon hij door encyclopedieën te bladeren en door woordenboeken, opzoek naar zijn nieuw verworven schat, zijn zelf, zijn ik. Hij speurde overal, googlede er druk op los. Maar hij kon het woord nergens vinden. Het bestond blijkbaar niet, híj bestond blijkbaar niet. En dat maakte zijn gelukzaligheid compleet. Hij was iets dat hij zeker wist en datgene bestond helemaal niet. Geweldig! Heerlijk! Hij zwijmelde. Daar kon de Prakkisseur wel even mee vooruit. Fluitend liep hij door de straten, nu volledig te zijn wie hij werkelijk was. Hij keek om zich heen, hij zag hoe een oudere vrouw op naaldhakken overstak, en een blauwe oldtimer geparkeerd in het gras, wuivend riet langs de waterkant, en een kraai die kraaiend overvloog. De wind waaide aangenaam door zijn haar. En hij dacht: ‘Ik hoef vandaag niets te maken, en morgen ook niet, en overmorgen niet. Het enige dat ik doe is indrukken verwerken. De indrukken die tot mij komen, die verwerk ik. Dat is wat ik doe.’

Border Collie

border collie

17-4-2017

Hoe we er precies op kwamen, ik weet het niet meer. Maar op een bepaald moment vonden we afgelopen week opeens dat we een konijn moesten hebben, mijn vrouw en ik. Een konijn, ja, voor ons zoontje zou dat vooral erg leuk zijn, een konijn. Ook omdat hij geen broertjes en zusjes heeft en zo. Ik had al driftig in de folders zitten bladeren en een flink konijnenhok op het oog, met binnen- en buitenverblijf. In de tuin was een plek, naast de schuur, waar het hok zou kunnen staan. Van mij hoefde het niet zo nodig, hoor, liever had ik helemaal geen konijn, maar goed, je wilde een kind, je hebt een kind, en kinderen willen nu eenmaal een huisdiertje. Maar opeens, half buiten mij om, nam het onderwerp onverwacht een bepaalde wending. Even werd er wat onduidelijk overlegd tussen mijn zoontje en mijn vrouw. ‘Of niet…?’ hoorde ik haar vertwijfeld aan hem vragen. ‘Of toch…?’ Ik keek heen en weer als naar een tenniswedstrijd. En toen viel het woord: Hond.

Ja, hij vond een hond toch eigenlijk veel leuker dan een konijn.

‘Een hond?’ vroeg ik. Mijn zoontje knikte en keek me met ronde ogen aan, of hij iets opbiechtte. ‘Een hond?’ vroeg ik nogmaals. ‘Toch geen konijn?’ Nee, een konijn was niet meer de bedoeling. Waar had ik het nog over, de folder met konijnenhokken kon wel weg. ‘Maar wat voor hond wil je dan?’ vroeg ik. De stap van konijn naar hond vond ik toch al met al een behoorlijke stap. ‘Een grote, of een kleine hond, een dikke…?’ ‘Een babyhond,’ was zijn stellige antwoord. ‘Een baby? Wil je een babyhond? Waarom een baby, waarom geen gewone …?’ Meneer vond een babyhond lief, zei hij, en hij bekeek me alsof ik dat nou zelf niet begreep. Mijn vrouw was ondertussen druk aan het scrollen op haar mobiel. Ze liet alvast een paar honden zien. ‘Die?! Nee? Die dan?’ Ze moest er erg bij lachen. Verschillende hondenkoppen keken me vanaf haar mobiel aan, ze leken allemaal even verbaasd. Ik moest even terugdenken aan vroeger, aan ons gezin in Tuindorp, aan de honden die we thuis hadden gehad: aan Rocky, de Golden Retriever, en aan Debby, de Dwergpoedel. Ze waren een geweldig koppel geweest, onvergetelijk. Ik had warme herinneringen. ‘Kijk deze dan’, zei mijn vrouw lachend. ‘De Border Collie…!’ En ze vertelde hoe ze eens door het bos had gewandeld en er een Border Collie naar haar toe was gerend en haar was blijven aankijken en volgen, het was een bijzondere ervaring voor haar geweest. Ik keek naar de Border Collie en de Border Collie keek naar mij. En ik moet ik zeggen… er borrelde bij mij ook een herinnering op. Wandelend met mijn vader had hij eens gewezen naar zo’n hond en tegen me gezegd: ‘Als ik met pensioen ga, dan neem ik zo’n hondje …’ Waarschijnlijk gewoon omdat hij het een leuk beestje vond. Ergens was die opmerking jarenlang blijven hangen. En altijd, als ik zo’n hond voorbij zag rennen, dacht ik bij mezelf: als ik met pensioen ga, dan neem ik zo’n hondje.

Mijn vrouw liet nog een paar foto’s zien; een lelijke Keeshond, een kuttelikker. Maar de beslissing was genomen. Er kon onmogelijk een andere hond meer komen. Het moest een Border Collie worden.

 

Snoeien

het-snoeien-loppers-voor-het-tuinieren-25982319

 

6-3-2017

Gister was ik in de serre gaan zitten, lekker in de fauteuil, onderuit met de benen omhoog, een boek op schoot van Sigmund Freud, over de psychoanalyse van de mens; dat je natuurlijk eens in je leven gelezen moet hebben. De regen tikte zacht tegen het glas van de serre en ik nam de eerste bladzijden in me op over het onderbewuste brein. Heel boeiend geschreven ook. Inmiddels was het langzaam opgehouden met regenen, de bewolking brak en een straal zon viel door het glas over het lichtgroene blad van de palm naast me, dat langzaam aan het ontrollen was. Een vogel in het gras buiten pikte een takje op en vloog er haastig mee weg. Ik krabde over een opkomende jeuk op mijn rug, waar ik niet goed bij kon komen, en kwam overeind. Keek uit over het water achter het huis, meeuwen in de lucht, de wind was gaan liggen. Eenden waren in gevecht en leken elkaar te willen verzuipen. Ik trok mijn jas aan en ging naar buiten, even de frisse lucht in. Freud kon wel wachten, hij wachtte tenslotte al zo’n honderd jaar. Ik liep om het huis, langs de zijkant, waar de struiken en bomen tot boven de dakrand waren uitgegroeid. De vorige bewoner had duidelijk geen groene vingers gehad. In welk jaargetij moest dat groen eigenlijk allemaal gesnoeid worden, in het voor- of het najaar? Wat was het beste moment? Ik keek naar mijn handen. Zelf, moest ik concluderen, had ik ook bepaald geen groene vingers.

In de schuur vond ik een boomzaag en een grote snoeischaar, die ik in een vooruitziende blik eens had gekocht. Het leek me geen kwaad kunnen om alvast wat overhellende takken af te knippen. Al was het maar voor het zicht. Zo kwam er meteen wat meer ruimte op het gras vrij waar we van de zomer misschien konden gaan zitten. Een leuke hoek eigenlijk, dacht ik, hier aan de zijkant van het huis. Als ik me niet vergiste, viel hier precies het late zomerzonnetje. Het snoeien ging vrij gemakkelijk, de schaar was scherp en de takken waren goed doorheen te komen. Ongelooflijk wat een ruimte je zo creëerde, met het verwijderen van slechts een paar takken kwam er haast een meter tuin bij. Minstens een meter. Voor de dikkere takken bood de handzaag juist weer uikomst. Hier had je echt geen motorkettingzaag voor nodig. Wel de keukentrap voor de hogere partijen. Hoe erg zou het eigenlijk zijn om iets verder terug te snoeien en gelijk de uitstekende dikkere takken mee te nemen? Die staken immers over de toekomstige zithoek op het gras. Ik was nu toch bezig. En als je al het overtollige groen weghaalde, meende ik, al knippend en zagend, dan bleven uiteindelijk de kernlijnen van de tuin over. De structuur van de tuin. Daar ging het in principe om: de basisstructuur. Daarop kon je straks verder borduren, nieuw aanplanten. Bijplanten. Alles naar je eigen zin maken. Het mooie van snoeien is – dacht ik, al hakkend met de bijl die ik er even bij had gepakt – dat er altijd weer iets nieuws voor in de plaats komt. Dat is eenmaal natuur. Op vrijgekomen plekken zal straks iets anders in de plaats komen. Nieuw leven zal uitlopen, een weg zoeken. Door het ontstane licht krijgt ander groen de kans om uit de bodem omhoog te schieten. Het bamboe achter het zojuist weggesnoeide Laurier, zag nu eindelijk eens wat licht. Als dat onverhoopt niet gebeurde, als er niets spontaan zou oprijzen, dan nog geen nood. Dan deed ik het toch zelf. Een tuincentrum was nooit ver weg. Er zou altijd iets voor in de plaats komen. Dat was het mooie.

Met mijn handen in de zij keek ik ongeveer vier uur later uit over de tuin waar eerder die dag nog zoveel weelderig groen had gestaan. Het was weg. Verspreid door de tuin lagen nu stapels gebladerde takken en omgekapte boomstammen. Zaagsel zat tot diep in de kleding en de oren. Een metershoge conifeer achterin de tuin stond nog overeind, maar was tot armhoogte van de takken ontdaan, de schors eraf gehakt; had in mijn ijver besloten er een totempaal van te maken. Hij ontnam toch alleen maar het licht van de dennenboom erachter. Die mooie den verdiende meer. Op zijn minst wat zonlicht verdiende hij. En inderdaad, er was nu veel meer licht in de tuin.

‘Snoeien is één ding, nu afvoeren …’ klonk opeens een stem achter me. Ik draaide me om en zag de overbuurman in een rolstoel zitten. Hij keek met zijn handen aan de wielen naar de stapels in mijn tuin. De buurman had pas geleden zijn enkel gebroken met golven, had hij me verteld, en was nu een tijdje op een rolstoel aangewezen. Ook hij moest blijkbaar even wat frisse lucht halen. ‘Tja,’antwoordde ik. ‘Dat zal inderdaad nog een klus worden…’

Al pratend zagen de buurman en ik hoe tussen de stapels takken vogels druk in de weer waren, op zoek naar van alles en nog wat. Het was een levendigheid van jewelste. Maar wat een werk, dacht ik bij mezelf. De hele boel moest straks met een aanhanger worden afgevoerd. Dan de tuin opknappen natuurlijk, nieuwe planten halen. Ik zou naar de bouwmarkt moeten, er waren veel spullen nodig: graszaad, voor de vrijgekomen kale stukken; planten en struiken; een paar mooie Drentse keien misschien; en ik wilde graag een terras verwarmer hebben, voor de zomeravonden; de vlonder aan de waterkant was hoognodig aan vervanging toe; en een buitenkeuken was misschien ook wel leuk, voor onder de luifel; en de totempaal natuurlijk… Er was buiten werk genoeg. De psychoanalyse van Sigmund Freud kon wel even wachten.

 

 

 

Het afscheid van de bokstrainer

Wim de Haan

6-2-2017

Bokstrainer en dichter, Wim de Haan, is vorige week vrijdag op zevenentachtig jarige leeftijd overleden. Afgelopen donderdag was de crematie. Samen met mijn broer ging ik erheen, ook hij heeft jarenlang bij de Haan gebokst. Er waren veel oude bekenden aanwezig, oud boksers, soms zelfs zo oud geworden dat ik ze bijna niet meer herkende, maar dat zal andersom niet anders zijn geweest. In een aparte ruimte mochten we even in de kist kijken, een laatste blik op de vriend en trainer, de man die voor velen als een vader is geweest. Daarna droegen we hem met een aantal mannen de aula binnen. Er stond een foto van hem en een van de boksschool. Het bleek dat Wim de Haan de uitvaart tot in de puntjes had voorbereid. Vanaf een bandopname droeg hij een gedicht voor uit eigen werk. Zijn heldere stem sprak voor de allerlaatste keer tot ons. Een afscheidsgedicht. Daarna volde zijn favoriete Fadomuziek.

De stem van de Fadozangeres klonk melancholiek door de aula, zoals die muziek vast is bedoeld, en mijn gedachten dwaalden af naar een week of vier daarvoor. Voordat ik bij Wim langsging, liep ik even binnen bij de slijter op de Hoogstraat in Schiedam. Ik wilde niet met lege handen aankomen. ‘Weet u misschien wat Wim de Haan drinkt?’ had ik aan de dame achter de balie gevraagd. ‘Nee, eigenlijk niet, maar een rode wijn is altijd goed….’ zei ze. ‘Ik heb hem trouwens al een tijdje niet voorbij zien lopen, hij is een beetje uit het straatbeeld verdwenen.’

Op het moment dat ik de boksschool binnenkwam, was hij met een training bezig. Hij stond aan de ring, twee mannen waren aan het sparren. ‘Ik heb een flesje rood voor je meegenomen’, zei ik, en zette de fles op de grond naast de ring. Het sparren stopte niet veel later. Wim trok de mannen de handschoenen uit en die begonnen met de indoortraining. Ik keek door de zaal, naar de stootzakken, de posters, spiegels, de ringtouwen, de houten vloer waarop ik me zo vaak had afgebeuld. Ooit was ik hier binnengelopen en leerde mijn eerste stootjes, leerde me te verdedigen, vechten, incasseren. ‘Hou die handjes hoog. Kin op de borst. Laat maar lopen die linkse… Midden van de ring houden, en blijven kijken. Eerst opzij, dan reageren …’ Het waren lessen die je nooit meer vergat, die onverwachts bovenkwamen als je ze nodig had. In het echte leven, buiten de school, juist daar bleken die lessen goed van pas te komen. Ik keek naar Wim, hoe hij stond te praten. Naar de lichte stoppels, de knokkelige handen, pigmentvlekken, de nimmer zwijgende mond. De mond die er altijd was om je ongevraagd toe te spreken, dingen uit te leggen waaraan je niet eens aan had durven denken. En natuurlijk realiseerde ik me wel dat elk bezoek het laatste kon zijn, zeker nu ik hier niet meer zo vaak kwam. Toch zeker weten doe je het nooit. Daar had ik me wel vaker in vergist. We liepen samen door de school, Wim voorop. Naar de kleine kantine, het barretje, de foto’s en krantenknipsels aan de muren. Laconiek wees hij op een foto waarop hij met een oud burgermeester stond afgebeeld, hij maakte een grapje. ‘Ach,’ mompelde hij en slenterde naar de tafel bij het raam. Daar lag een dik fotoboek waar hij doorheen begon te bladeren. Ingeplakte oude krantenknipsels: Wim op een spijkerbed, een knipsel over een wedstrijd van mijn broer, en vele andere wedstrijden en gebeurtenissen kwamen voorbij. Normaal gesproken kon Wim erover blijven praten, alles diende als spraakstof, nu keek hij dromerig naar het boek en sloot het. ‘Ach,’ maar weer. Daarop volgde ik hem naar de ruimte ernaast, ingericht als een klein museum. Schilderijen die hij zelf eens had gemaakt hingen aan de muren, stonden rechtop tegen het raam, het raam dat uitzicht biedt op de Lange haven. Er lag een gedichtenbundel met een papiertje ernaast, er stond op geschreven: Laatste exemplaar, 5 euro. ‘Deze hier is volgens een kenner al behoorlijk wat waard,’ zei hij, en wees naar een schilderij waar een geboetseerde hand uitstak, weinig enthousiasme klonk door in zijn stem. Alsof het een schilderij betrof dat niet van hem was, of hij slechts een toeschouwer was, niet de maker. ‘Wat zie jij in deze?’ vroeg hij wijzend naar een ander werk. Ik keek naar een abstract schilderij dat aan een touwtje hing, trok mijn schouders op. ‘Van de geboorte naar de dood’, legde hij kort uit, met zijn gekromde vinger bij het doek. En we verlieten het kleine museum.

We namen de trap naar de bovenwoning. Daar zat Tiny op de bank. ‘Ha Richard!’ begroette ze me, daarop staarde ze voor zich uit. Wim vertelde over haar ziekte – Tiny zweeg. Opeens vroeg ze, alsof ze nu haar kans greep: ‘Hoe gaat het met de kleine, en die van je broer?’ Ze noemde de namen van de kinderen en wist zelfs de leeftijden. Daarna vertelde ik dat we onlangs naar Drenthe waren verhuisd, vanwege mijn vrouw. Wim keek naar de vloer, en zei: ‘Heimwee moet je niet onderschatten …’

Nadat ik had aangegeven weer eens te moeten gaan, is Wim met me mee gelopen, zoals hij altijd deed, langs de smalle draaitrap naar beneden. Om de buitendeur af te sluiten. ‘Ik kom weer eens langs,’ zei ik. Wim knikte dat het goed was.

In een rij liepen nu de mensen langs de kist. Enkelen omhelsden Tiny, die maar niet kon stoppen met huilen. De Fadomuziek was inmiddels opgehouden, maar klonk nog altijd door in mijn hoofd. Het mediterrane gevoel, de melancholische klanken.

Eenmaal thuis heb ik willekeurige Fadomuziek opgezet. En een bruin biertje genomen. Ik keek naar buiten en dacht aan de bokstrainer Wim de Haan. Hoe hij wandelde door de straten van Schiedam, met zijn pet en zijn lange jas. Hoe hij kon vertellen, kon amuseren. Hoe hij binnenliet en verjaagde. Hoe hij kon knokken voor zijn bestaan. Hoe hij liefhad. Hoe hij kon raken.

 

 

 

 

Wibi de wonderboy

 

Wibi

1-2-2017

Zondagavond bezochten mijn vrouw en ik een optreden van Wibi Soerjadi, in het Atlas theater in onze woonplaats Emmen. ‘We zijn wel wat vroeg, geloof ik’, zei ik niet al te hard tegen de man achter de garderobe balie. Alle kleerhangers waren leeg, er was verder nog niemand te bekennen. De man schudde rustig het hoofd en antwoordde dat we keurig op tijd waren, hij nam de jassen aan en hing ze behendig aan de hangers.

We dronken een kop thee en keken hoe de eerste bezoekers binnendruppelden, voornamelijk ouderen zo te zien. Mijn vrouw wilde alvast even boven gaan rondkijken, in de Rabo Zaal, waar het optreden zou plaatsvinden. Maar vanwege de lage opkomst, ongeveer honderdvijftig bezoekers volgens de gastvrouw bij de trap, was het optreden verplaatst naar de kleinere ‘Dagblad van het Noorden Zaal’, beneden.

Het was vrije inloop, dus ieder kon plaatsnemen waar hij wilde. Door het tempo van de gemiddelde bezoeker was het niet al te moeilijk een plaatsje op de eerste rij te bemachtigen. We zaten zo dat we de mimiek van de pianist perfect zouden kunnen zien als hij zo dadelijk zijn meesterwerken ten gehore bracht, op slechts een paar meter afstand. De imposante vleugel stond klaar tegen de achtergrond van hoge donkerblauwe gordijnen, in een kegel van geel licht. Het had iets eenzaams, de openstaande vleugel zo te zien staan.

Na een korte aankondiging kwam hij oplopen, de pianist, in een bruin maatpak, het haar golvend zoals het een waar grootmeester en componist betaamd. Met zijn welbekende vriendelijke glimlach draaide hij de polsen naar achter en boog zich eerbiedig naar links en rechts. Zonder een woord nam hij plaats op de met leer beklede kruk achter de vleugel. De kin lichtjes geheven sloot hij de ogen, muisstil werd het in de zaal. En bij de eerste trefzekere aanraking van zijn vingers met de pianotoetsen, veranderde de Dagblad-van-het-Noorden-Zaal in een ander soort wereld. Een wereld vanwaar je niet snel meer zou willen vertrekken, misschien wel voorgoed zou willen blijven.

Na het eerste gespeelde stuk pakte Wibi Soerjadi de microfoon en heette de mensen van harte welkom. Hij complimenteerde het Atlas theater met de mooie zaal en de fantastische vleugel. Daarop gaf hij toelichting op de stukken die hij zou gaan spelen. Het programma eindigde met een eigen compositie, ‘Amor & Psyche’: een sprookjesverhaal. In een aantal fragmenten liet hij alvast horen hoe een trol klinkt, een sprookjesbos, een prinses, en een eenhoorn die in de verte uit de mist tevoorschijn komt. De bezoekers luisterden ademloos. Later op de avond waren door Wibi’s uitleg die fragmenten goed te herkennen. Niettemin bleef er genoeg ruimte over om er eigen beelden bij te zien, weg te dromen gedurende het concert. Al starend naar de gepassioneerde gezichtsuitdrukkingen van de meesterpianist, die bij momenten qua uiterlijk bijna zijn werkelijke leeftijd leek aan te nemen, vroeg ik me in stilte af: zouden die sprookjes voor Wibi een manier zijn om aan de wereld te ontsnappen, of aan de complexiteit van zijn muziek? Of vindt hij sprookjes gewoon leuk? Er zijn natuurlijk de gangbare methoden om aan de wereld te ontsnappen, je ziet het mensen op allerlei manieren proberen; met alcohol, drugs, werk, en religie natuurlijk. Tot bloedens toe masturberen wil misschien ook nog wel eens lukken. Een sprookje was op zich een aantrekkelijke variant, zeker als het zulke muziek voortbracht. Toen leunde mijn vrouw opzij en fluisterde: ‘Ik had zelfs net even een traantje …’

Na een stuk van Copin dat als laatste toegift gold, ontving de meesterpianist een staande ovatie van het publiek. Hij verliet met geheven hoofd de zaal. Voordat we met de stroom mee ook de zaal wilden verlaten, ik stond al met een voet op de drempel, zei mijn vrouw: ‘O, ik wil nog wel even in de vleugel kijken …’ ‘In de vleugel?’ vroeg ik vertwijfeld. Verder zag ik niemand bij de vleugel, laat staan erin kijken. Wat was daarin te vinden dan: een droomprinsesje, een achtergebleven trol misschien?  ‘Ik wil gewoon even in de vleugel kijken,’ zei ze vastbesloten. En draaide zich om.

Nadat mijn vrouw de vleugel aan de binnenkant had geïnspecteerd verlieten we de zaal. In de hal werden door een medewerker vanachter een tafel cd’s verkocht. Die je daarna kon laten signeren. Wibi Soerjadi stond ernaast en droeg nu stoffen handschoenen en een hoed, dat hem de uitstraling van een echte wereldster gaf. De wereldster die hij zonder twijfel is. ‘Hoe oud was je eigenlijk toen je begon met pianospelen?’ vroeg ik hem, terwijl hij met een viltstift onze cd signeerde. ‘Op mijn elfde gaf ik mijn eerste concert. Daarna ging het heel snel.’ Ik knikte begrijpend en voegde toe: ‘Mijn vrouw moest trouwens net om je huilen, wil je dat niet meer doen.’ Het floepte eruit. Wibi glimlachte en nam de volgende cd al aan. De medewerker naast hem schoot in de lach, maar herstelde zich snel.

We liepen tevreden de deur uit, mijn vrouw en ik. Met de aangeschafte cd op zak. Eenmaal in de auto mompelde ik in mezelf: ‘Wibi de wonderboy’. Het was een naam die ik goed bij hem vond passen: Wibi de wonderboy.

 

Tussentijd

Afbeeldingsresultaat voor station rotterdam hal

4-12-2016

Ik rijd in de ochtend vanuit mijn 24-uursdienst met de auto naar Rotterdam. Vanmiddag vieren we Sinterklaas bij mijn moeder in Brielle. Dus naar Emmen heen en weer rijden is geen optie. Tot aan de middag mag ik de tijd zien te doden. Het doden van de tijd is mijn favoriete hobby, als er een ding dood mag is het wel de tijd. In de parkeergarage onder het Schouwburgplein parkeer ik mijn auto en besluit een ontbijt te scoren in het Centraal Station, dat met het enorme punten dak brutaal schuin de stad in steekt. Het station lijkt een middelvinger op te steken naar de gebouwen eromheen. Vooral naar het groothandelsgebouw ernaast dat nog uit een ander tijdperk stamt. Als ik over de natuurstenen tegels van het Stationsplein loop passeert een groep joggende jonge meiden me, de blonde en bruine staartje wapperen frivool op en neer. Hertjes lijken het, er steekt een groep jonge hertjes over het Stationsplein in Rotterdam. Door de glazen schuifdeuren van het station wandel ik naar binnen, hoewel naar binnen, de hal is zo groot dat je niet echt het gevoel hebt dat je ergens naar binnen stapt. De onmetelijke vloer, de hoge wanden, het schuin weglopende plafond, waaraan een witte hanglamp zo groot als een kleine planeet. Het binnenkomen is tegelijkertijd buiten blijven, het plein gaat geruisloos over in het station. Ik herinner me even hoe het er hier dertig jaar geleden ook alweer uitzag, het Centraal Station Rotterdam. Als ik hier dagelijks langskwam op weg naar mijn eerste baantje bij de PTT. De loketten met rijen mensen ervoor om een kaartje te kopen voor de trein. Vergeleken met dit architectonische bouwwerk leek het station van toen een pand uit een of ander Oostblokland. Er hingen toen junks rond met uitgemergelde pokdalige koppen, in zichzelf mompelend, of zogenaamd een smoes verzinnend dat ze even hun portemonnee kwijt waren. Of je een paar gulden over had. Perron nul werd het Centraal Station destijds genoemd. Tot het door mariniers hardhandig werd schoongeveegd. Op het grasveldje hiernaast, dat er toen nog was, zag ik eens hoe een prostitué in de vroege ochtend een junk oraal bevredigde en met een slok bier de boel wegspoelde. Of ze een aspirine doorslikte. Ze liet een boer na. Nu loop ik met een ‘bliep’ door de glanzende poortjes verder het station in. Twee NS-medewerkers in frisse gele jacks houden een praatje met een stel Engelssprekende jongeren. De kleding en kapsels van de jongeren doen me glimlachen, het moeten waarschijnlijk studenten van een kunstacademie zijn. Ik loop langs de internationaal aandoende winkels en koffietenten en achterin vind ik een tentje waar ontbijt wordt aangeprijst. Ik neem plaats naast een vrouw met een hoofddoekje en een meisje van een jaar of zeven en een kinderwagen. Op tafel liggen wat kruimels nog van het vorige ontbijt. Terwijl ik mijn tanden in een stokbroodje gezond zet, kijkt vanuit de kinderwagen een klein meisje naar me, zie ik. Elke hap wordt door haar grote bruine ogen bestudeerd. Na een paar happen kan ik niet anders dan stiekem een gekke bek trekken. Haar tandeloze mond begint breed te lachen, ze maakt grappige geluidjes. Haar moeder zit aan de telefoon en heeft het niet door. Na het ontbijt loop ik de stad in. Langs de Deftse Poort, over de Lijnbaan, de Bijenkorf is behangen met kerstverlichting, overal zijn de etalages in kerstsfeer gebracht. De meeste winkels staan op het punt net open te gaan, op straat zijn nu meerdere joggers. Rotterdam begint langzaam wakker te worden. Op de Hoogstraat ga ik de Mac Donalds binnen en bestel een kop koffie met koek. Er klinkt lekkere ontspannen muziek die bij deze ochtend lijkt te horen. Ik kijk op mijn horloge en denk aan de tijd die nog gedood moet worden. Twee uur te gaan. Dan pak ik de laptop uit mijn rugzak; het ultieme moordwapen om het laatste restje tijd de das om te doen.

Sinterklaas

sinterklaas_background1__50_2560x1809

26-11-2016

Het is zaterdagochtend en ik ontwaak langzaam, beneden zijn de geluiden te horen van mijn vrouw en zoontje. Ik heb niet eens gemerkt dat ze uit bed zijn gegaan. Dat komt niet vaak voor. Nog een keer draai ik me kreunend om maar na een paar minuten neem ik dan toch de trap naar beneden. ‘Aha’, hoor ik mijn vrouw vanuit de keuken roepen, ‘daar hebben we papa ook!’ Mijn zoontje kijkt vanaf de bank achteloos naar zijn vader, ik kom erachter dat ik mezelf nog niet had aangekleed. Spontaan begin ik dan een soort oeleboeledans uit te voeren. Niet omdat het moet maar omdat het kan, zeg maar. Mijn zoontje rolt in een deuk van de lach en mama roept hilarisch: ‘Gekke papa!’ We besluiten naar het zwembad te gaan, mijn zoontje en ik. Mijn vrouw moet nog leren voor haar studie. Na het ontbijt stappen we in de auto en doorlopen in het zwembad ons gebruikelijk stappenplan. Eerst het golfslagbad, lekker dobberen tegen elkaar aan. Daarna doen we een keer of tien de grote slurfglijbaan, waarbij mijn zoontje me telkens probeert in te halen en dat lukt hem gek genoeg nog ook. Vervolgens de zwembadrivier, daar laat ik de drukstraal uit de wand mijn onderrug masseren terwijl mijn zoontje tegen de stroom in probeert te zwemmen. En tenslotte in het bubbelbad. Tussendoor komt opeens Sinterklaas binnenlopen en een heel stel pieten eromheen. De Sint had ik hier even niet verwacht en mijn zoontje ook zichtbaar niet. Met de monden vol pepernoten springen we weer in het water. Na het zwembad lunchen we thuis. En daarop fietsen we met zijn drieën naar het centrum van de stad. Koud is het wel op de fiets, winterkoud, maar niet onbehaaglijk koud. In de bibliotheek schijnt momenteel een Sinterklaashuis te zijn ingericht. En inderdaad, door vrolijke pieten worden we daar ontvangen. Wederom stouwen we de monden gulzig vol pepernoten. In groepjes mogen we langs verschillende kamers in het Sinterklaashuis. Er moeten door de kinderen verschillende opdrachten worden uitgevoerd. Die kleine jongen gooit pakjes in een namaak schoorsteen. Er wordt een kring gevormd – ‘nu graag met de ouders erbij, ja komt u maar’ – waarbij er verschillende hoeden en pruiken al zingend moeten worden opgezet en doorgegeven. Ik zie mijn vrouw van opzij met een rosé krullenpruik handklappend meezingen. Zelf draag ik een veel te kleine piratenhoed. Uiteindelijk lopen we in polonaise achter mijn vier jaar oude zoontje aan door de Emmense bibliotheek. Het kan verkeren, bedenk ik me al lopend. Met het Sinterklaashuis achter ons fietsen we terug naar huis. Nog wel op de valreep eten we een oliebol, met lekker veel poedersuiker, we zitten helemaal onder. Mijn vrouw gaat meteen door naar Groningen, ze heeft een uitje met vriendinnen. Vader en zoon blijven samen thuis. Terwijl die kleine jongen op zijn iPad speelt, val ik rozig op de bank in slaap. De kachel warm. In coma. Het is een mooie dag geweest. Tot ik plotseling de brede grijns van mijn zoontje boven me zie. Einde dutje. Hij heeft dorst, en er moet nog een wortel in zijn schoen worden gedaan. Hij krijgt zijn chocomel. We doen de wortel in zijn schoen. ‘Voordat je naar bed gaat, zingen we een liedje’, beloof ik hem plechtig. Ik bak de schnitzels die mijn vrouw voor ons had klaargelegd, kook de peen en erwten. Ik dek de tafel. Het ziet er best gezellig uit: twee goed gevulde borden, een glas melk en een glas rode wijn. ‘Kom je eten!’ roep ik. Na een paar minuten komt hij aanlopen, nee, het is eigenlijk meer waggelen wat hij doet. Hij ziet er opeens moe uit, vind ik, waterige ogen, bleek. ‘Heb je honger?’ vraag ik. Zonder antwoord klimt hij op de hoekbank aan tafel, en dan, nog voorover zittend, in drie indrukkwekkende golven, braakt hij alles onder wat maar onder te braken valt. Onhandig, maar toch nog redelijk snel, krijg ik hem staande naast de tafel. Maar hij is nog niet klaar, blijkbaar. De gordijnen en de koelkast worden ook in twee opeenvolgende golven chocolademelkbruin. In het toilet komt er nog een laatste druppel uit hem. Die kleine jongen veegt zijn mond af. Hij kijkt naar zijn vieze kleding, naar mij. ‘Kom maar’, zeg ik, en kleed hem uit. Leg hem op de bank. Ik maak alles schoon, tenminste zo schoon mogelijk, het is onvoorstelbaar waar alles terecht is gekomen, in de verste hoeken van de keuken. Zelfs onder de klep van de hoekbank zit de viezigheid. Als ik opkijk, zie ik dat hij voorover op bank in slaap is gevallen. Als een hamstertje, zo zit hij. Ik breng hem naar boven. Dek hem toe. Onmiddellijk ligt hij diep te slapen. Beneden blader ik nog even door de krant. Kijk televisie. Omroep Max, een stel ouderen die in groepsverband in zee gaan zwemmen. Een van de ouderen weten ze even later ternauwernood uit zee te redden. Ik zet de televisie uit. In de schoen van mijn zoontje zie ik de kromme wortel staan die we er net hadden in gezet. We hadden nog niet eens een liedje gezongen, bedenk ik me. Ik loop naar boven en voel aan zijn voorhoofd. Geen koorts gelukkig. Hij ligt zacht te kreunen die kleine jongen. Waar zal hij van dromen? Van Sint en Piet? Morgenochtend zal hij wel weer vroeg wakker zijn. Zes uur, half zeven, veel later is het meestal niet. Morgen doen we geen zwembad en geen pepernoten. Geen Sinterklaas. Zondag. Een mooie dag om thuis te blijven.

November

herfst35

17-11-2016

Vanmorgen kwart voor vijf stapte ik zoals gewoonlijk in de auto, mijn pet hield ik op. Aardedonker was het op het erf van de boerderij waar wij momenteel verblijven. Ik reed door de nauwelijks verlichte straten naar de snelweg en propte ondertussen drie boterhammen naar binnen die ik gisteravond alvast in een zilverfolie had verpakt; twee met pindakaas en een met appelstroop. Eenmaal op de snelweg begon ik aan de thermoskan koffie. Lichte regen viel op het raam, ik slurpte zo langzaam mogelijk de koffie naar binnen. Geen verlichting op de snelweg, alleen de koplampen van de tegenliggers en de opdoemende lampen in de achteruitkijkspiegel verlichtte de weg. Bij Zwolle was de thermoskan leeg. Nu restte me te luisteren naar de muziek en enkel gas geven. En wegdromen natuurlijk, over wat dan ook. Trump. Amerika. China. Rusland. Europa, dat zich begint te bewapenen. ‘Europa wordt een supermacht’, had de Europese commissaris laatst voorspeld. Ach, er werd van alles voorspeld, van alles verkondigd. Als de peilingen van de laatste verkiezingen een ding opnieuw hadden aangetoond, was het wel dat de mens niet kan voorspellen. Werkelijk niet. Geen economische crisis, geen voetbaluitslagen. Zelfs met behulp van de radar zitten we er met de weerberichten vaak naast. Bij Amersfoort was het nog steeds niet licht, wel al drukker op de weg. Drukker dan normaal. Zou de economie zo ver aantrekken tot uiteindelijk alle wegen dichtslippen? Zelfs de binnenwegen? Ook dat was maar de vraag. Een uitspraak van Geert Mak kwam bij me boven, laatst was hij te gast bij College Tour: ‘Europa is net de Titanic, op het bovendek wordt nog gedanst maar de machinekamer staat al onder water’. Geert Mak, het grijze haar, de bril. Zou de achternaam iets met het karakter te maken hebben? Bij mijn eigen naam vermoedde ik ook al zoiets. Bij Utrecht begon het moeizaam te schemeren, geen werkelijk daglicht. Een flauw, mottig licht, net genoeg voor vleermuizen. Zou het vandaag überhaupt wel licht worden, of tot aan april donker blijven? November was een maand die niet echt meetelde, de zomer voorbij – de winter nog niet begonnen: november lag er als een kleffe drol tussenin, een drol die met een zakje opgeraapt diende te worden en in de vuilnisbak gegooid. Van mij hadden ze de twee laatste maanden van het jaar sowieso mogen weglaten, of alsnog van de kalender weggummen. Gewoon ophouden bij oktober en naar januari overspringen. ‘Hopla.’ Hoef je ook die feestdagen niet door te maken. Waarom ze die dagen in hemelsnaam ‘feestdagen’ hadden genoemd? Ik zou er wel nooit achterkomen. Zoetermeer was druk, genoeg wegverlichting hier. Het licht beviel me, de levendigheid, de drukte. Gewoon kunnen zien waar je rijdt. Alsof de muziek op de radio daardoor meer tot leven kwam. De Titanic? Ach welnee. Het zal het najaar zijn geweest dat Mak parten speelde, of de leeftijd. November. Dit jaar was een aflopende zaak. Niet snel genoeg konden we aan het nieuwe jaar beginnen. In Den Haag was het redelijk licht, maar geen overtuigend licht. Gedimd. November licht.  

Vrachtwagen

vrachtwagen

13-10-2016

Opeens zat ik achter het stuur van een vrachtwagen en reed over de snelweg van Schiedam richting Emmen. Van west naar oost. Het was half bewolkt, koel buiten, maar niet onaangenaam koel. Prima weer om te verhuizen. Achterin de laadruimte lagen al de bezittingen op elkaar gestapeld. Best overzichtelijk om alles wat je hebt in containerformaat bij elkaar te zien liggen. Wat een puinhoop, dacht ik nog, nadat ik de laadklep ternauwernood had afgesloten.

Die ochtend had ik de vrachtwagen gehuurd in Rotterdam, en met mijn broers en moeder en twee vrienden hadden we het huis in Schiedam tot op de bodem leeg gesjouwd. De vrachtwagen mocht ik in Drenthe terugbrengen. Dat scheelde een hoop kilometers. In vele opzichten zou het een enkele reis worden.

Het was achteraf best snel gegaan, bedacht ik me al rijdend. De verkoop van onze woning, het voorbereiden van de verhuizing …  alvast bieden op een andere woning …. En plotseling zit je daar achter het stuur richting Emmen. Was het daarom dat ik ooit mijn groot rijbewijs had gehaald, alleen vanwege deze rit? Ik had immers na het behalen van dat rijbewijs nooit meer in een vrachtwagen gereden. En waarschijnlijk zou het niet snel meer gebeuren.

Het ging wel aardig, vond ik, het wende snel. De bochten wat ruimer nemen, oeps, rustig over de hobbels, en eenmaal op de snelweg niet harder dan tachtig kilometer per uur. Geen vlammen in de pijp. Rustig aan. Op de radio klonk lekkere muziek, de stoel veerde licht op en neer, ik kon mooi even bijkomen van al het gesjouw. In Emmen moest natuurlijk straks alles weer worden gelost, ditmaal in een loods, om de boel voor twee maanden op te slaan. Eerst maar even rijden.

Toch de ervaring van het rijden met al de bezittingen achterin, verraste me op een bepaalde manier. Ik leek even los van alles. Een bijzonder gevoel. Alsof ik in Schiedam nooit werkelijk was geweest (terwijl ik er toch vierenveertig jaar heb gewoond), en in Emmen niet echt aan zou komen. Deze vrachtwagen leek al een leven lang onderweg te zijn. Hij zou blijven doorrijden, niet zo maar stoppen. Ooit was hij ergens vertrokken, waar en wanneer hij zou aankomen was nog onbekend. Eigenlijk reed hij heerlijk, de vrachtwagen. Aan arriveren moest nog helemaal niet worden gedacht.

Het begon te miezeren, de grote ruitenwissers maakten lange halen. Een kwak vogelstront op de voorruit veroorzaakte een witte streep. Aan de andere kant van de weg reden de auto’s richting het westen. Deze kant op was rustiger. Na Zwolle, wist ik, zou het nog rustiger worden. Tot de weg bijna leeg was. Langzaam doorrijden, half gas. Deze rit moest niet te snel voorbij gaan. Mocht langer duren. Het westen lag achter me, het oosten voor me – de vrachtwagen reed ertussenin.

Toen ik eenmaal bij de loods aankwam, stond daar mijn vrouw. Ze wuifde. En haar vader, haar twee zussen, een vriend. We losten met zijn allen de vrachtwagen, tot de laatste doos in de loods verdween. De spullen mochten wachten tot ze straks weer zouden worden opgehaald. De vrachtwagen leverde ik in te Hoogeveen.

Over ongeveer twee maanden zullen we onze nieuwe woning betrekken. Als het lukt, een huis aan de Rietplas. Niet al te ver van de loods. De spullen kunnen we dan in etappes met een aanhanger erheen rijden. Een vrachtwagen huren, zal helaas niet nodig zijn.  

 

 

Charisma

 

sean-connery-3-300x187

16-9-2016

Laatst zat ik in de auto en moest opeens aan ‘charisma’ denken. Het zat in mijn hoofd en het ging er niet meer uit. Wat nou precies de aanleiding was, ik weet het niet zeker. Op zich is dat jammer, doorgaans is het wel aardig te weten hoe je tot een bepaald onderwerp bent gekomen. Maar ja, als je zo lang achter het stuur zit als ik, toch dik twee uur aan een stuk, dan stromen de gedachten aanhoudend door je hoofd, en weer uit je hoofd, de weg rolt onder je door, het bewustzijn lijkt geen werkelijke rol meer te spelen. Hoogstwaarschijnlijk zal het iets op de radio zijn geweest, een liedje, iets dat in het journaal dat werd vermeld, vermoed ik, over een charismatische persoon of zo, waardoor ik aan ‘charisma’ moest denken. Maar zeker weten doe ik het niet. Charisma dus.

Wat is dat nou eigenlijk precies, charisma? dacht ik met twee vingers aan het stuur. Het is iets ongrijpbaars en toch in een oogwenk herkenbaar voor de meeste mensen, misschien wel voor iedereen. Is charisma voor iedereen anders, zien we het allemaal op onze eigen manier? Of lopen we elkaar achterna als het om charisma gaat, beginnen we het pas te zien als we er door anderen op gewezen worden? Bestaat het wel degelijk of maken we elkaar maar wat wijs, over het onzichtbare dat tegelijkertijd zo duidelijk zichtbaar is?

Sean Connery staat bekend als een zeer charismatische man, ik veronderstel dat alle lichaamsdelen van Sean Connery buitengewoon charismatisch moeten zijn. De neus van Sean Connery is met recht een charismatische neus te noemen. Of ligt het zo eenvoudig niet? Valt charisma niet te ontleden, niet rationeel te verklaren? Nee, natuurlijk niet. Eén plus één is drie in het geval van Sean Connery. Veel meer dan de optelsom van de losse onderdelen. Het is zijn uitstraling. Zijn totale verschijning. En waar zit hem dat in? Iemand straalt iets uit, charisma, niemand weet precies waar het aan ligt, waar het vandaan komt, de stem, de intonatie, de oogopslag misschien, de combinatie van verschillende factoren?

Elvis zag er onmiskenbaar anders uit dan Tom Jones. Madonna is geen Meryl Streep. Jezus en Salvador Dali hadden qua uiterlijk waarschijnlijk weinig gemeen, maar beiden zeer charismatisch. Uiterlijk is dus niet het enige, niet het belangrijkste, lelijke mensen kunnen best charismatisch zijn… denk aan Paul de Leeuw, of Linda de Mol. Ook aan het beroep ligt het niet alleen of de overtuigingskracht, hoewel die laatste er wel degelijk mee te maken moet hebben, de overtuigingskracht. Wereldleiders worden niet zelden als charismatisch gezien, ongeacht waar ze hun gelauwerde eigenschappen voor inzetten. Succesvolle politici hebben eigenlijk altijd overtuigingkracht, anders waren zij niet succesvol. Is Xi Jinping charismatisch? bedenk ik me opeens. Voor mij eerlijk gezegd niet zo, maar voor bijna een miljard chinezen welzeker. In die zin moet charisma dus diepe culturele wortels hebben. Russische charisma is nog geen Nederlandse – Afrikaanse geen Mongoolse. Kan iemand overigens een klein beetje charismatisch zijn, gedeeltelijk? Charismatische trekken hebben? Of tijdelijk, dat het opeens weer verdwenen is? Of: heb je het of heb je het niet? Ben je er voorgoed mee gezegend.

Als de afslag nadert geef ik richting aan, en voeg uit. Bij de verkeerslichten moet ik wachten. Het knipperlicht tikt gestadig, de motor zucht, de motor is het lange rijden spuugzat. Naast me komt langzaam en geruisloos een gevaarte tot stilstand, een roomkleurige Bentley. Mooie wagen, imposant, ongeveer drie keer zo lang als mijn voertuig en een irritant stukje hoger. Achter het stuur, zie ik, zit een wat oudere man met grijs krullend haar, shawltje losjes over de schouder, hij rookt een pijp waar geen rook uit komt. Charismatisch? vraag ik me af. Misschien wel. Weet ik veel. Ik vind het lastig te bepalen. Zouden alle charismatische figuren misschien iets gemeen hebben? bedenk ik me. Succes misschien.Is dat het: succes als een voorwaarde voor charisma. Niet alle succesvolle mensen zijn charismatisch, dat niet, maar hoe zit het andersom? Ik kan me even geen charismatische persoon voor de geest halen zonder succes. Was er ooit een zwerver charismatisch genoemd, of een vuilnisman? Een putjesschepper? Ik kan me er geen herinneren. De Bentley trekt langzaam op, heel langzaam.I ben sneller weg en zie hem in mijn spiegel kleiner worden. Steeds kleiner. Tot hij helemaal weg is. De rit zit er weer bijna op. De tijd is voorbij gevlogen.

 

Insluiting

 

 

hoogwerker

 

13-9-2016

Iemand had zich ingesloten in zijn eigen woning, zo was de melding. Dus we reden er met de brandweerwagen en de hoogwerker naartoe. Ik noem geen adres, maar het zou op de derde etage van een flat wezen. Twee agenten stonden ons daar al op te wachten. Een van de agenten kwam direct naar me toelopen en zei dat het om een depressief persoon ging die al drie weken de telefoon niet meer had opgenomen, en er werd niet opengedaan. De moeder van de betreffende persoon maakte zich doodongerust. Aan de achterzijde stond de balkondeur open, zei de agent. Of we hem met de hoogwerker op het balkon wilde zetten. Ik liep naar de achterzijde en bekeek de situatie, de overhellende bomen, het balkon. Inderdaad de balkondeur stond wagenwijd open. Maar het zou wel erg lastig worden om erbij te komen met de hoogwerker vanaf de voorzijde. Ook met de schuifladder zou het moeilijk gaan worden, dan moesten we over drie schuttingen klimmen met ladder en al. Ik nam het trappenhuis naar de derde etage, de twee agenten volgden me. ‘Hij zit op een driepuntslot,’ zei de oudste van de twee agenten tegen me, ‘die krijg je echt niet zo maar open’. Ik vroeg of ze wel zeker wisten dat er iemand binnen was. Dat konden ze niet voor honderd procent zeggen. Ze hadden alleen gehoord dat er al drie weken niet was opengedaan en de telefoon niet werd opgenomen. Door het smalle strookje wazige glas in de voordeur probeerde ik naar binnen te gluren, ik snuffelde langs de deurpost. Gaslucht rook ik niet, maar je weet nooit waar de mensen toe in staat zijn. Wel rook ik een andere vage lucht, zoals je wel eens rook als iemand het in zijn broek had gedaan en ermee was blijven lopen; een junk, een alcoholist, een vereenzaamde zieke. Oude poep rook ik, geen verse poep. ‘Ik ruik niks bijzonders,’ zei de agent die het dichtst naast me stond. Hij snuffelde ook en zei dat brandweermannen waarschijnlijk betere neuzen hadden dan politieagenten. Misschien waren het dan de oude kranten op de vloer die ik rook, dacht ik nog. Ik vond het een onaangename lucht, wat onheilspellend, die toch bijna niet anders dan vanuit deze woning zou moeten komen. Waar anders vandaan? We gingen terug naar beneden. En de hoogwerker nam een van de agenten even later in de korf mee omhoog. De korf ging bovenlangs het schuine dak, tot voorbij het dakraam. Toen opeens, ik stond even naar het langsrijdende verkeer te kijken, werd er van bovenaf geroepen dat er iemand zou opendoen. Opendoen? We snelden naar boven, de agent en ik er achteraan. En ja, daar stond een jongeman in de deuropening, hij keek verbaasd met slaperige ogen. Hij vroeg wat er allemaal aan de hand was, vanwaar het kabaal. De agent legde hem haarfijn uit dat het om hem ging, omdat hij niet had opengedaan en zijn moeder was zeer ongerust. De jongeman zei dat hij gewoon had liggen slapen en de bel niet had gehoord, die bel deed het soms niet, die moest je heel goed indrukken. Hij zou onmiddellijk zijn moeder gaan bellen om te vertellen dat er niets met hem aan de hand was. Het kwam door de verbouwing waar hij mee bezig was, hij was ook moe. Buiten werd de hoogwerker zorgvuldig weer ingepakt. Nadat alles was ingepakt, kwam de oudste van de twee agenten nog even bij me staan. Hij haalde zijn schouders op en zei: ‘Tja, we hadden meerdere keren aangebeld, geklopt, en als je al drie weken niets van je laat horen … ’ De agent zuchtte diep en keek me aan. Op dat moment wist ik dus waar die lucht vandaan kwam… Die vage lucht, die ik boven bij de voordeur zo sterk had geroken.

 

 

 

 

 

Gehackt

error

24-8-2016

Onlangs wilde ik mijn blog-site openen, om een stukje te schrijven over het een of ander, ik had lekker koffie gezet, maar toen verscheen er een spookachtig wit scherm voor me met daarin de letters: HTTP 500-fout… Ik nam onmiddellijk contact op met de systeembeheerder. Wat moest ik doen? Niets werkte meer. De site bleek gehackt. Alles weg. Niet dat er nou hele belangrijke dingen op stonden, eigenlijk helemaal niet, het was allemaal prietpraat wat erop stond, maar wel twee jaar aan prietpraat. En natuurlijk had ik niet de moeite genomen om de boel ergens op te slaan. De technische afdeling van de systeembeheerder stuurde mij de volgende tekst:

De WordPress bevat extra scripts (en mogelijk aangepaste scripts) die de werking van de site verhinderen. Waarschijnlijk is er via een kwetsbaarheid binnen een PHP script van wordpress toegang verkregen waarbij er PHP scripts opnieuw geschreven of geplaatst zijn (…) We adviseren u sterk om de site volledig van de server te verwijderen (eventueel lokaal te archiveren) en een nieuwe site op te zetten, u kunt hierbij eventueel de database en media bestanden van de originele site hergebruiken maar zeker geen PHP scripts.

Juist ja.

Ze hadden me net zo goed in het Hebreeuws of oud Chinees deze goedbedoelde adviezen kunnen toesturen. Het enige wat ik ervan begreep, was dat de site in zijn geheel verwijderd moest worden. Maar wat viel er te verwijderen? Alles was toch al verdwenen. Ik belde een bevriende collega, die lang geleden in zijn vrije tijd informatica had gestudeerd, zo wist ik. Hij was zo behulpzaam ernaar te willen kijken. Dat de systeembeheerder mij een dergelijk advies had gegeven, kon hij wel begrijpen, zei hij. Want dan waren zij er maar mooi vanaf. De collega kon niks beloven. Hij zou zien wat hij voor me kon doen.

Gehackt, dacht ik bij mezelf, nadat ik had opgehangen. Waarom zou iemand mijn blog-site willen hacken? Wat was daar precies de kick van? Er viel niets mee te verdienen, geen eer te behalen, het kostte ook nog eens veel tijd. Wat had je daar aan? Het deed me gek genoeg een beetje denken aan de Pokémon-jagers. Die figuren die de straat op gaan om tot diep in de nacht naar Pokémons te zoeken. Wat zeggen dit soort bezigheden eigenlijk over een samenleving? Zijn die lui ergens mee besmet geraakt? Had dit nog iets met de gekke koeienziekte te maken, of het Zikavirus? Nee, alleen naar anderen wijzen was te makkelijk. Zelf ben ik immers lid van diezelfde samenleving. De Pokémon-jager moet ook ergens in mijzelf verborgen liggen. De Pokémon-jager zit in iedereen, bedacht ik me. Als ik naar een of ander schilderij stond te kijken bijvoorbeeld in een achteraf museum, was dat dan zo zinnig? Wat leverde mij dat op? Ik moest er vaak nog voor betalen ook. En die stukjes schrijven op mijn blog-site – ook zonder enige bezoldiging toch? Wellicht, als je er goed over nadacht, was de zinloosheid der dingen helemaal zo gek nog niet, misschien lag daar juist het ware geluk, in de zinloosheid. Misschien moest je niet overal het nut van willen inzien. Nut: alleen het woord al. Alsof het leven zelf enig nut zou hebben. Misschien waren het juist de Pokémon-jagers die het leven het best begrepen. En de hackers. Pokémon-jagers maken geen oorlogsslachtoffers, hackers bombarderen geen kinderziekenhuizen. Beter op Pokémons te jagen dan in een god te geloven die niet bestaat, was mijn conclusie.

De bevriende collega belde me een paar dagen later. Hij zei dat mijn site weer in de lucht was, zelfs al mijn stukjes had hij weten te redden. Daar werd ik gelukkig van. En de hacker waarschijnlijk ook. Die kan weer helemaal van vooraf aan beginnen.

 

 

R

Actie

 

 

mappa mondo

28-7-2016

Bij de brandweer voeren wij momenteel actie voor een beter pensioen. Nu kunnen wij natuurlijk geen echt harde acties gaan voeren, zoals in andere branches. Dat zou nogal nare gevolgen kunnen hebben als er bijvoorbeeld een brand uitbreekt (‘Tja, sorry mevrouw maar we voeren momenteel actie, zonde van uw huis hoor!’). Dus nu draaien we zogenaamde zondagse diensten. We oefenen even niet, de projecten liggen plat, er is geen tijd voor werkgroepen, et cetera. Weinig burgers zullen last ondervinden van onze acties, waarschijnlijk merken velen het niet eens. Ludieke acties zijn daarentegen wel gepermitteerd. En wat onder ludiek valt, mogen wij in overleg met het actiecomité zelf bepalen. Vandaag zijn we met de brandweerwagen en de hoogwerker naar een huis voor chronisch- en levensbedreigend zieke kinderen gegaan. Bij wijze van actie.

De vrouw die ons daar ontving, vertelde dat er momenteel zeven kinderen aanwezig waren, vrij jong allemaal nog. De een was er beter aan toe dan de ander. Op de binnenplaats parkeerden wij de voertuigen, de spullen werden uitgepakt. De vrouw vertelde dat er in dit huis voornamelijk vrijwilligers werkten en dat sommige kinderen hier alleen in de weekenden waren, anderen verbleven er wel een jaar lang. En voordat we waren uitgesproken kwamen de eerste dreumesen al naar buiten lopen.

Eerst een meisje in jurkje, ze stapte redelijk vlot op de brandweerwagen af. Er volgde een jongetje van een jaar of drie, hij keek verbaasd om zich heen. ‘Brandweermannen?’ zag je hem denken. Daarop volgde een wat ouder ventje met een looprekje. Hij moest even wennen en begon te huilen. Een jongetje met een krullendos moest weer terug naar binnen, voor hem bleek het lawaai van de draaiende pomp in de brandweerwagen teveel. Vanachter het raam mocht hij naar buiten kijken, zijn krullendos stak boven de vensterbank uit. Even later kwam er een getint meisje naar buiten, dat maar niet kon ophouden met glimlachen. Ook was er nog een jongetje in een kinderwagen, vermoedelijk nog geen twee jaar oud. Hij moest aan de zuurstof blijven.

Nadat de brandweerwagen door de kinderen was verkend (ze hadden achterin gezeten en met de zaklampen gespeeld, aan en uit … in de portofoons geroepen), mochten zij op het voorterrein met een straal water een tennisbal van een pylon af proberen te spuiten. De gezichtjes die eerder nog wat gespannen stonden, fleurden nu ook op. Door de handjes voorzichtig in de waterstraal te steken, spatte het water alle kanten uit. De kinderen lachten, of ze even niet meer doorhadden dat zij ziek waren, even vergeten. Daarop werden er plastic brandweerhelmen uitgedeeld, in kinderformaat. De rode helmen bij de kinderen maakte de actie nu pas werkelijk ludiek om te zien. Een van de vrijwilligsters stond naast me en vroeg: ‘Waarom voeren jullie nou ook alweer actie?’ Ik wees op mijn T-shirt, waarop stond dat het om het pensioen gaat. En vlak voor ons spoot een hummel onder luide aanmoediging weer een tennisbal van een pylon.

De motor van de brandweerwagen werd uitgezet, die was niet meer nodig omdat we klaar waren met water. Dus kon de kleine krullendos ook weer naar buiten komen. In de armen van zijn begeleidster observeerde hij nu alles en iedereen nauwkeurig. Als er iemand voor hem kwam staan, veranderde zijn blik onaangenaam. Hij wilde graag ongestoord rondkijken.

Na een korte rondleiding door het huis (de kleine krullendos mocht in de armen van zijn begeleidster met ons mee) en een kop koffie, hebben we afscheid genomen. De ludieke actie was voorbij. Vanaf de binnenplaats zwaaiden de kinderen en de verzorgsters ons uit. We reden terug naar de kazerne. De actie voor ons pensioen was al met al prima verlopen.

 

 

R

Het r-woord

c 2390, radicalisering moslim geloof jeugd jongere kind

 

23-7-2016

Eigenlijk wil ik het helemaal niet over hebben, het liefst nooit meer. Maar toch, als je iets wegstopt, blijft het altijd ergens zitten, ergens ophopen, waar je het niet hebben wilt. En als je teveel dingen diep wegstopt, wegslikt en opkropt, komt het er misschien een keer allemaal tegelijk uitzetten. Als je niet uitkijkt op een ongelegen moment, tijdens een sollicitatie, een begrafenis, of als je net de liefde ligt te bedrijven. Dan begint dat woord op te spelen, een uitweg te zoeken. Misschien begin je het opeens te roepen. Dus laat ik het er nu maar uitgooien, dat r-woord, dat al weken in de keel blijft steken: radicaliseren.

Zo, pff.

Ik heb de betekenissen even opgezocht op internet: extreme opvattingen krijgen, radicaal worden. Ingrijpend wijzigen.

Het komt mij eerlijk gezegd nog niet zo radicaal voor.

Radicaliseren wordt momenteel het meest gebruikt  (ik krijg het toch nog niet goed uit mijn strot, het heeft iets machinaals, zoals bijvoorbeeld centrifugeren of zo) bij aanslagplegers. De aanslagen van de laatste tijd, noem maar op: de daders waren stuk voor stuk geradicaliseerd. De een nog sneller dan de ander. ’s Morgens gingen ze nog redelijk fatsoenlijk de deur uit, ’s middags kwamen ze geradicaliseerd weer terug. Daarom pleegde zij de aanslagen, dat was volgens de nieuwszenders de belangrijkste reden: ze waren geradicaliseerd. Het lijkt of dit woord opeens alle aanslagen dekt. Zou het niet handiger zijn zo goed mogelijk te vertellen wat er aan de hand is?

Het zal dus wel, de deskundige zijn het erover eens. Maar toch. Waarom wordt het woord nu alleen nog ingezet voor dit soort zaken? Waarom niet ook eens voor andere zaken? Als ik de betekenissen mag geloven is het toepassingsgebied veel groter.

Wat bijvoorbeeld te denken van de Zwarte Pietdiscussie, die al zo ongelofelijk lang duurt, dat Zwarte Piet inmiddels al zo’n beetje is uitgestorven. Wanneer zijn die twee tegenoverliggende partijen precies zo geradicaliseerd? En de SP en de PVV, immers twee uiterste partijen in het politieke landschap, noem het grenspartijen, geradicaliseerd misschien? Donald Trump dan, de man die een muur tussen de VS en Mexico wil laten bouwen, en eigenlijk in al zijn opvattingen extreem kan worden genoemd? Geradicaliseerd? En Kim Holland,  Gordon,  Sepp Blatter, de mormonen, de hedendaagse contrafeministen, en de Hooligans? De Russen, de Turken? Lady Gaga misschien? Op zijn minst toch positief geradicaliseerd.

Maar laten we het niet alleen over de grote zaken hebben, laten we het dicht bij huis zoeken. Ook de kleine, persoonlijke radicalisering verdient wat aandacht. Men kan even stiekem radicaal van mening wijzigen, toch? Mijn vrouw heeft dat als wij samen de stad in gaan ongeveer zes keer per uur. Buitengewoon radicaal.  Als ik terugkijk op mijn leven ben ik zelf ook best radicaal te noemen. Vroeger wilde ik tuinder worden (en dat werd ik), toen verzekeringsagent (en dat werd ik), nu ben ik brandweerman. Morgen wordt het aardig weer dus overweeg ik naar het strand te gaan, maar het plan kan ook opeens worden omgegooid. Dan duik ik de kroeg in. Ik vrees dat aan het radicaliseringsproces voorlopig nog geen einde zal komen.

 

 

R

 

Opblaasboot

 

boot

21-7-2016

Vanmorgen ben ik met mijn zoontje naar het meer geweest, met de opblaasboot die hij van mij voor zijn vierde verjaardag heeft gekregen. Niet dat hij om een opblaasboot had gevraagd, helemaal niet, hij had verschillende keren gezegd dat hij een robot wilde. Maar zelf wilde ik graag een opblaasboot, omdat ik die als kind zelf ook had gehad. Op een bepaalde manier krijg je als ouder de kans je eigen jeugd te herleven. Vanmorgen diende die kans zich aan.

‘Kom,’zei ik, ‘we gaan met de boot het meer in.’ Mijn zoontje werd even stil, en vroeg: ‘Gaan we niet naar het zwembad?’ ‘Nee, nee,’ antwoordde ik. ‘Vandaag wordt het veel te heet voor het zwembad, we gaan met de opblaasboot varen, dat is veel leuker. Dan kunnen we hem ondersteboven leggen en erop gaan zitten en zo. Mag je bommetjes maken.’ Ik tilde de boot op mijn hoofd, en zag nog voor me, hoe mijn vader dat vroeger ook zo deed; aan de Rottemeren, in de kanovijver, er flitsten zelfs beelden van de Weissensee voorbij. Mijn zoontje volgde me braaf met de peddels in zijn handen. Achter me hoorde ik hem naar de buurman roepen: ‘Kijk eens hoe sterk mijn papa is! Kijk eens!’

We gingen te water. Tenminste, ik ging te water. Mijn zoontje bleef nog even op het strandje staan. Hij had zijn oranje zwembandjes om. ‘Kom maar,’ riep ik. Ik keerde de boot om. Dook erbovenop, viel er af, en klom er weer op. ‘Kom kleine jongen, het water is heerlijk!’

Maar hij bleef staan, de kleine man. Hij liep bedenkelijk heen en weer. Uiteindelijk ging hij aarzelend het water in. ‘Kom op de boot,’ zei ik nogmaals. Inmiddels lag ik languit over de onderkant van de boot, peddelend met mijn handen. Maar hij leek me niet te horen. Hij begon zich langs de kant te vermaken, in zijn eentje, met steentjes te spelen, het water in te rennen en weer terug. Als ik dichterbij kwam, duwde hij de boot lacherig van zich af. Dus ik liet hem maar – de zon scheen heerlijk op mijn rug. Na een kwartier of wat, heb ik de opblaasboot aan de kant getrokken. Het strandje op. Samen zijn we in het water gaan spelen, met een schelp en wat steentjes. We groeven een geultje. Daarna hebben we nog een stukje gezwommen.

 

R

Wildlands

wildlands

17-5-2016

Het is zaterdagmiddag en we zitten in de auto. Mijn vrouw rechts naast me, mijn zoontje op de achterbank. Ik zie hem in de achteruitkijkspiegel, die kleine jongen. Hij zit nog wat beduusd voor zich uit te staren. Rode wangen. Geschrokken natuurlijk, logisch. Op mijn hand, die op het stuur rust, zit een schaafwond van duim tot pols. Het begint al te trekken, te bijten. Het verkeerslicht springt op groen en we trekken op.

Mijn vrouw had die ochtend een afspraak bij de kapper, mijn zoontje en ik gingen ondertussen het centrum van Emmen in. We zouden elkaar treffen voor de ingang van de dierentuin. We liepen hand in hand door de stad, mijn zoontje en ik. En in een opwelling besloot ik sportschoenen te gaan kopen. Dat was ik al een heel tijdje van plan, sportschoenen om ook gewoon onder je spijkerbroek te kunnen dragen. Nu die kleine jongen in een vrij gemakkelijke bui was kon ik het er eens op wagen. En inderdaad, hij bleef keurig op een poef zitten kijken, hoe ik de sportschoenen paste die mij beurtelings door de verkoopster werden aangereikt. Hij lachte zelfs even vermakelijk naar me, toen ik in de winkel op de loopbaan heen en weer rende. Alsof hij de komende gebeurtenis al voor zich kon zien. De keuze viel op de lichtgrijze Nikes met witte zolen. ‘Ik wil ze graag aanhouden,’ zei ik tegen de verkoopster, ‘dan zijn ze meteen ingelopen…’

Wildlands heet de nieuwe dierentuin in Emmen, een park waar het niet zozeer meer om de dieren gaat, maar om de totale beleving. We hebben een abonnement genomen. Mijn zoontje heeft het concept heel goed begrepen. Steevast wil hij in de zwevende, van touw gevlochten, luchtbrug. Deze keer dus ook. Mijn vrouw en zoontje klommen omhoog en begaven zich door de ellenlange luchtbrug. Onder hen door schuifelde ik met mijn handen op de rug met hun mee. Leuk te zien hoe die twee achter het touw door de lucht bewogen. Verderop zag ik een stel olifanten net een bad nemen. De tropische temperatuur in de hal was aangenaam. Aan het eind van de luchtbrug kwamen de twee klauteraars naar beneden zetten, ik ving ze op. En waarom we nu precies naar links gingen, het is me nog steeds niet geheel duidelijk. Rechts lag een keurig geplaveid pad. Maar we gingen toch links. Daar was een moeras met kleine rotsen erin waarover je naar de overkant kon lopen. Die kleine jongen stoof al enthousiast voor me uit. ‘He!’ riep ik, ‘rustig …’ en haastte me achter hem aan.

‘Handje goed vasthouden anders val je straks!’ waarschuwde ik hem. ‘Handje vast …’ Ja hoor, hij beloofde het braaf. Hij stapte met zijn handje in de lucht vlot op de eerste rots. Ik volgde twijfelachtig. De volgende, en de volgende rots … Maar papa ging hem blijkbaar niet snel genoeg, iets belemmerde hem, dat kon je aan alles merken. Het handje vasthouden ging hem vervelen. Een felle woordenwisseling ontstond halverwege, waarop hij zich van me los wist te maken, en ervandoor ging. De rappe voetjes stapten over de rotsen voor me uit … net goed, net raak, net langs de randen. Ik greep, ik wilde hem grijpen, maar miste. In principe stond ik op dat moment met mijn linkervoet redelijk stevig. Ik had voldoende grip. Maar de vaart van het lichaam na het misgrijpen maakt dat het lichaam een poging doet zich te corrigeren. Een zwaaiend been naar achter, de armen graaiend naar voren. Te veel vaart. Het licht van het koepeldak verblindde me even, ik weet niet precies wat er gebeurde, misschien de middelpuntvliedende kracht. Het moment eindigende met een doffe klap met mijn bovenlip op het achterhoofd van mijn zoontje, die daardoor ook zijn evenwicht verloor. De vaart was er niet meteen uit, dat red je niet met een bovenlip op een achterhoofd alleen. Ik voelde geen grond meer, ik verloor ondergrond. En toen belandde ik via een eigenaardige val op de rots in het moeras. Mijn zoontje schreeuwde. Uit alle macht probeerde ik hem boven water te houden. Hij lag te spartelen over een rots, waarschijnlijk dacht hij dat hij al in het water lag. Ik gleed onderuit maar krabbelde weer overeind. Het moeras was redelijk diep, vond ik. Vanuit mijn ooghoek zag ik hoe mijn vrouw over de rotsen vloog, mijn zoontje meepakte, en hem op de oever tilde. Ik kroop eruit.

Troosteloos huilde de kleine jongen aan de kant. Mijn vrouw maakte met een papiertje zijn handen schoon. Het leek mee te vallen, hij was wonderbaarlijk droog gebleven. In tegenstelling tot mijzelf. Ik droop. Er druppelde bloed van mijn hand op de grond, en mijn linker sportschoen bleek veranderd in een klomp bruine klei. ‘Moet je kijken …’ zei ik nog verbouwereerd en tilde mijn bloedende hand in de lucht. ‘Moet je nou kijken!’

Mijn vrouw keek schamper opzij.  ‘Je struikelde zelf,’ zei ze, en ze maakte de handen van mijn zoontje verder schoon.

Nadat we de verkeerslichten voorbij waren, keek ik in de achteruitkijkspiegel. Het stonk naar moeras in de auto en ik voelde de kroos tussen mijn benen kriebelen. Ik legde mijn hand op het bovenbeen van mijn vrouw en kneep zachtjes. Ze glimlachte.

‘Hé, kleine jongen,’ zei ik in de achteruitkijkspiegel. ‘Dat was even schrikken hè, in de dierentuin! Was gewoon een ongelukje hoor. Helemaal niets aan de hand. Kan toch gebeuren! Vond je het niet grappig? Papa heeft helemaal geen bloed meer aan zijn hand. Helemaal over! Ta da! Zullen we straks naar de ballenbak?’

 

R

Lichtenstein

look-mickey-hero

9-5-2016

Na een lange brandweerdag slenterde ik door de kazerne en plofte neer in een armstoel voor de televisie. Het was warm voor de tijd van het jaar. Er stond voetbal op dus ik zapte naar Nederland 2. Daar begon juist een documentaire over ene Roy Lichtenstein, een Amerikaanse kunstenaar (1923-1997). Lichtenstein maakte eerst schilderijen die niet aansloegen bij het grote publiek, en eigenlijk ook niet bij het kleine publiek. Maar hij stopte niet met schilderen, hij ging gewoon door. Daarnaast moest hij regelmatig lesgeven op een kunstacademie. Dat deed hij puur voor de inkomsten. Hij had een gezin te onderhouden. Lichtenstein schilderde steeds weer in een andere stijl, geïnspireerd door allerlei kunstenaars uit de kunstgeschiedenis. Vooral Picasso bleek een groot voorbeeld voor hem. Het probleem was alleen – of eigenlijk niet echt een probleem maar gewoon zijn situatie als schilder – dat Lichtenstein nog geen eigen stijl had ontwikkeld. Die kon hij bij zichzelf nog niet vinden. Misschien zou dat ook wel nooit gebeuren. Hij wist het niet. Maar een kunstenaar zonder eigen stijl was niet veel waard, daar liepen er genoeg van rond, zogenaamde kunstenaars. Dus Lichtenstein zocht en zocht en schilderde, tot het helemaal niet meer wilde lukken met het schilderen. En hij moest steeds meer gaan lesgeven op de academie om het allemaal te kunnen blijven bekostigen. Tot op een dag, uit frustratie of barre wanhoop, hij een plaatje van Donald Duck en Mickey Mouse begon na te schilderen. Een plaatje uit een stripboek van zijn kinderen. Lichtenstein keek verbaasd naar zijn nageschilderde werk. De snavel, het ondeugende pluimstaartje, de muizenoren. Hij vond het helemaal nog niet zo slecht. Hij werd zelfs wat warm van binnen, Lichtenstein. Eerlijk gezegd vond hij het heel mooi. Misschien dat hij even gniffelde, daar zijn geen getuigenissen van bekend. Het zal haast wel. Alles wat hij tot nu toe had gemaakt kon zo de prullenbak in. Dat deed hij ook onmiddellijk. Lichtenstein gooide al zijn eerder gemaakte werk in de prullenbak. Dit was het gewoon. Hiernaar was hij al die tijd opzoek geweest. Zíjn eigen stijl. Niemand had het ooit in zijn hoofd gehaald stripfiguren na te gaan schilderen. Wat denk je, hij dus wel. Met grote precisie begon hij nu de een na de andere stripfiguur na te schilderen. In vaste kleuren, ingevuld met stippeltjes om verf te besparen, en toch dik aangezette lijnen eromheen. Lichtenstein werd zo overmoedig van zijn eigen vinding, dat hij met de schilderijen spontaan naar een galeriehouder stapte. En wat bleek. Ja dus. Die galeriehouder vond zijn nageschilderde stripfiguren ook heel mooi. Op dat memorabele moment kwam er trouwens nog even een andere schilder binnenlopen, Andy Warhol, maar die werd resoluut geweigerd door de galeriehouder. Diens schilderijen leken iets teveel op die van Lichtenstein. Toen de expositie was afgelopen bleek dat veel bezoekers de nageschilderde stripfiguren ontzettend hadden gewaardeerd. Alle schilderijen van Lichtenstein waren uitverkocht. Niemand kon het geloven, niemand wilde het geloven. Maar het was wel degelijk zo. Vanaf dat moment was Roy Lichtenstein een beroemd kunstenaar. Tenminste zijn schilderijen dan, want zelf hoefde hij niet zo nodig op te vallen. Daar had hij het karakter eenvoudig niet naar. Maar als de mensen een nageschilderd stripfiguur zagen, dan wisten zij wel wie die gemaakt had. Die kleuren, die stippeltjes en de dik aangezette lijnen. Dat kon maar één man in de wereld zijn.

Nadat de documentaire was afgelopen, keek ik op de klok. Het was nog laat warm. Voor die avond had ik genoeg televisie gekeken, besloot ik. En ik slenterde naar mijn kamer. Ondertussen moest ik nog even denken aan Lichtenstein, de man die uiteindelijk zijn eigen stijl gevonden had.

 

R

 

Slagboom

slagboom

4-5-2016

We mochten een aantal dagen van de caravan gebruikmaken van mijn broer. Op camping De Lakens te Bloemendaal aan zee. Leuk natuurkijk. Een mooie plek. We hadden redelijk weer. Zonnig. Tussendoor moest ik alleen even voor een dag naar mijn werk. Het leven van een arbeider is vaak een kwestie van vakanties en werk zo bevredigend mogelijk zien te combineren. Dan is het wel te doen. Soms zijn er alleen de kleinigheden waar je tegenaan loopt.

Vrouw en kind bleven lekker in bed. Ik vertrok zo stilletjes mogelijk. Maar toen ik in alle vroegte de camping af wilde rijden, ging de slagboom niet omhoog. De slagboom bleef onbewogen. Ook nadat ik er een paar keer bedenkelijk omheen was gelopen. Eraan had gesjord. Er zachtjes maar venijnig tegenaan had geschopt. Dus keerde ik om en ging opzoek naar een andere uitgang op de camping. Die moest ergens wezen. Ik had al enige vertraging opgelopen omdat ik de vooruit van mijn auto had moeten krabben, dus enig tempo was geboden. Ik reed over de paadjes tussen de gesloten tenten en caravans door. Heen en terug. En nog een keer heen. En nog een keer terug. Een aantal doodlopende paadjes, een rood/wit paaltje dat een uitweg blokkeerde. Na drie rondes over de slingerpaden van de camping te hebben gehobbeld kwam mijn auto wederom tot stilstand voor dezelfde slagboom. Twintig minuten waren inmiddels verstreken. Ik stapte uit. De motor liet ik maar draaien. Nu in mijn ooghoek zag ik opeens aan de zijkant van de slagboom, op de paal met de gleuf, een geplastificeerd briefje hangen. In kleine letters stond geschreven dat campinggasten 24 uur per dag via het Konijnenpad de camping konden verlaten, maar dan dienden ze wel aan de andere kant te parkeren. Op het naastgelegen parkeerterrein. Deze slagboom ging om acht uur open. Ik keek om me heen. Acht uur was pas over anderhalf uur. Konijnenpad? Ik zag enkel duinen. Er zaten twee grijze konijnen in het zand. Het konijnenpad moest vast een heel klein paadje zijn, bedacht ik me. Ik belde het telefoonnummer dat onder op het briefje stond. Ik kreeg iemand aan de lijn, een jongeman, schor. ‘Je belt me wakker,’ zei de jongeman. ‘Begrijp je dat? En waar denk je dan helemaal te staan?’ Ik antwoordde dat ik gelijk rechts voorbij de ingang stond en dat ik naar mijn werk moest en dat ik brandweerman ben en dat ik zojuist al drie keer de camping had rondgereden, of ik dat misschien nog een keertje moest gaan doen.’ Hij zuchtte. ‘O wacht,’ zei hij, ‘dan weet ik wel waar je staat, je staat je op het Konijnenpad.’ ‘Ja,’ antwoordde ik. ‘Het konijnenpad. Daar sta ik.’ De twee konijnen leken het gesprek  nu te volgen, ze keken verstard in mijn richting. En plotseling als een hemelpoort ging de slagboom omhoog. Ik hoorde nog wat gebrabbel door de telefoon. Maar ik stapte in mijn auto en trapte op het gaspedaal. De poort uit, de weg over. Op naar mijn werk.

 

Aardappelsalade

 

index

29-12-2015

Ze zaten nog maar net aan tafel toen zijn vrouw het hem vertelde. Niet dat hij het niet had zien aankomen – hij vermoedde wel iets. Maar toch. Nu zij het concreet naar hem uitsprak, zo helder en bondig, besefte hij voor het eerst zijn eigen sterfelijkheid; een vreemdsoortig bedompt gevoel dat hem in een paar seconden jaren ouder leek te maken. ‘Ik wil niet meer met je verder, David, echt… ik ben honderd procent zeker.’ Zijn vrouw schudde het hoofd en kneep de ogen dicht.

Desondanks nam David een hap van de aardappelsalade. Zijn vrouw hield van dit soort salades, hij zelf niet zo. Maar hij kauwde vol overgave en nam zonder te slikken een volgende hap. Toen hij zijn mond bijna leeg had, merkte hij dat zij star naar hem zat te kijken. ‘Hij is goed gelukt hoor, al zeg ik het zelf,’ zei hij. ‘Proef maar eens…’ Hij prikte een aardappeltje aan zijn vork en bood het haar aan. Zij weerde af. Daarop boog hij zich naar zijn dochtertje. Dat met haar grote ogen het gesprek al leek te kunnen volgen. ‘Mondje open meisje, daar wordt je heel groot en sterk van…’

‘Heb je me soms niet gehoord! Ik meen het hoor!’ riep ze. De vurigheid van zijn vrouw had David altijd al bewonderd, zelfs als zij vermoeid was, zoals nu, kon zij iets bij hem teweeg brengen. Maar David deed wat hij moest doen. Met het servet veegde hij zorgvuldig de mond van zijn dochtertje schoon. Ook zij kauwde vol overgave.

David legde nu beheerst zijn vork op tafel, en het servet. Hij wendde zich tot zijn vrouw: ‘Ik heb je heus wel verstaan, lieverd…’ zei hij, lichtjes trok hij zijn schouders op. Weloverwogen nam hij even de tijd, gebaarde naar haar bord. ‘Ik heb trouwens die aardappeltjes gebruikt van de Albert Heijn. Die vastkokers, die jij zo lekker vind …’

Nu plotseling met een klap sloeg haar geringde hand op tafel. De borden trilden. Zijn vrouw schreeuwde, dat ze vandaag nog bij hem weg zou gaan. Vandaag! Vandaag!

Nadat zij enigszins was gekalmeerd, zei David: ‘Zie je nu hoe je dochter schrikt,’ hij wreef zijn snor glad. ‘Je maakt onze lieve meid helemaal aan het schrikken. Dat wil je toch niet…’

Hij bracht zijn vork naar de mond van zijn dochtertje, dat met vochtige ogen nog naar haar moeder staarde. De klok sloeg half zes. Er verstreken minuten van zwijgen. Aan tafel. Voordat ook zijn vrouw vol overgave aan de aardappelsalade begon.

 

 

 

Draakje

full24911382

 

29-12-2015

Ik ging naar bed, maar ik kon niet slapen. Het was herfstachtig weer. Uiteindelijk viel ik toch in slaap. Maar niet voor lang. Ik werd wakker. Dommelde weer in en kwam in een soort oppervlakkige droom terecht. Een halfslaap. Eerder een dagdroom dan een werkelijke droom. Een monsterachtig wezentje zag ik voor me. Het kronkelde, rood en sissend op de vloer. Mijn oog kwam dichterbij en daarbij veranderde het wezentje van uiterlijk. Het werd een beetje witter, onschuldiger, ook kleiner. De duivelse vleugeltjes verdwenen spontaan. Als een soort kameleon paste het zich aan naarmate mijn oog naderde. Het leek geïmponeerd door mijn aanwezigheid, bangig, huiverig. Tegelijkertijd groeide het verraderlijk als het weer enigszins de ruimte kreeg. Ik begreep niet goed wat het duivelachtige wezentje te melden had. Wat moest ik ermee? Waarom zag ik zoiets idioots voor me? Ik ben niet gewoon met duivels. Tot het zich opeens niet meer voor me bevond, maar ergens in een vensterbank. Het kroop tussen de planten en potten door. Het dagelijks herkenbare leven. Toen dacht ik: het monster moet zich ergens in mijn omgeving bevinden. Het omgeeft me dagelijks. Zo moet ik het zien. Toen werd ik wakker. En niet eens omdat aan de droom abrupt een einde was gekomen, het kwam door een geluid dat tot me doordrong. Geruis, gekras; een opbloeiende melodie. Langzaamaan besefte ik dat het geluid van beneden moest komen. De kleine transistorradio in de keuken stond aan. Ik keek naast me en zag de lege plek waar normaal mijn vrouw ligt. Ze was nog niet thuis. Op de wekkerradio zag ik dat het net over twaalven was. Ik was vrij vroeg naar bed gegaan. Hoe kon de transistorradio in de keuken nu zijn aangegaan? Ik liep naar beneden en het geluid werd alsmaar duidelijker. Help! I need sombody. Help! Not just anybody. Help! You know I need someone. Help! De Beatles. Ik pakte het radiootje en wilde het uitzetten. Ik moest plotseling aan een jeugdvriend denken die op jonge leeftijd was overleden. Op zijn begrafenis hadden ze destijds ook de Beatles gedraaid: Yesterday. Sommige liedjes kunnen je een leven lang blijven achtervolgen, dacht ik nog. Nu werd ik wat onrustig, temeer omdat het off-knopje niet meer bleek te werken. Het knopje ging wel om maar de muziek ging onverminderd door. Help! I need sombody!  De stilte keerde pas terug toen ik de batterij eenmaal had verwijderd. Ik ging terug naar boven, terug naar bed. Maar kon niet eerder slapen dan dat mijn vrouw thuis was. Ze ging rustig naast me liggen. Een kus, een knuffel. Haar warme buik tegen me aan. Toen gingen we slapen.

 

 

Vrijdag

 

Boulevard-Christian-van-der-Kooy

11-12-2015

 

Overdag had ik dienst aan de kazerne Delft. Een rustige dag. Geen uitruk. Geen gekkigheid. Om een uur of acht mocht ik me melden aan de kazerne Scheveningen. Ik mag vaak naar verschillende kazernes. Als er iemand ziek is, of verlof neemt, dan ga ik zijn plek opvullen. ‘Hoer van dienst’, wordt zo iemand als ik door veel collega’s gekscherend genoemd. Maar ik heb er geen hekel aan op verschillende kazernes te komen, allerlei gezichten te zien, in de diverse rayons te werken. Delft, Den Haag, Zoetermeer, Wassenaar… Het houd je flexibel. Voorkomt daadwerkelijke sleur. Ik ben geen ontevreden hoer van dienst.

Het betrof deze keer een verrassing, de collega wist niet dat ik zou komen. Hij werd deze week vijftig jaar en zijn vrouw had thuis een surprise party voor hem georganiseerd. Ik klopte op zijn kamerdeur. Hij deed open, aan zijn gezicht zag ik meteen dat hij al iets vermoedde. Hij had net gedoucht, en zei: ‘Ze deden de hele week al zo mysterieus bij mij thuis… en ik mocht de kinderen niet onder druk zetten.’ Hoe eenvoudig het leven soms kan zijn, dacht ik. Een verrassing voor vader. Ik meende hierin het ware geluk te herkennen. Hij liep nog een poosje wat verward door de kazerne en ging naar huis. Naar zijn surprise party. Niet veel later ging het alarm. Automatische melding: de Pier. Nog voordat we ter plaatse waren gekomen, kregen we van de alarmcentrale te horen dat er niets aan de hand was. Stoom in de keuken had een rookmelder geactiveerd. We reden rustig terug over een met kerstbomen gelardeerde boulevard. Veel sfeerverlichting. Het Kurhaus rees statig op vanachter de restaurants. Er zaten stelletjes knus achter de ramen, en ze wandelden hand en hand voorbij. Hoe verder we de boulevard af reden hoe stiller het werd. Tot er niemand meer te zien was. Een lege boulevard. Wat verlaten kunstwerken. Ik moest even terugdenken aan jaren geleden, zo’n vijftien jaar: ik dwaalde straalbezopen over deze boulevard en ik was op een bankje gaan zitten wachten om te zien hoe het langzaam licht werd. Er is in de jaren veel veranderd. Nu, op deze leeftijd, zou ik dat niet meer kunnen maken: straalbezopen over een boulevard dwalen. Toen nog wel, dacht ik.

Eenmaal terug aan de kazerne kwam ik erachter dat mijn leesbril nog in Delft moest liggen. Met het slechter worden van de ogen blijft ook het geheugen niet achter. Een collega leende me zijn bril, wat ik erg aardig vond. ‘Ik ga een filmpje kijken,’ zei hij, en liep de Wacht in. In mijn kamer ben ik een boek gaan lezen. Zomerhuis met zwembad, van Herman Koch. Ik hoorde de zeewind langs het raam waaien.

Merel

images

 

19-11-2015

Het is een regenachtige herfstdag en mijn zoontje en ik zijn samen thuis. Om met dit weer naar buiten te gaan lijkt me geen optie. Dus ik zet een filmpje op voor die kleine jongen: Zambezia. Hij zit in kleermakerszit op de bank – ik staar naar buiten. In een kale boom zit een merel, die zich ondanks het weer aan het wassen is. Het beestje schudt tevergeefs de veren droog. En zonder aankondiging komt er een vage herinnering bij me bovendrijven.

Een warme voorjaarsdag ergens begin jaren tachtig, ik moet ongeveer een jaar of veertien zijn geweest. Niet heel lang geleden waren we verhuist van Schiedam Nieuwland naar Tuindorp. Ik kende er nog bijna niemand, maar veel jongelui hadden destijds voor de lol een luchtdrukpistool. Verveeld zit ik in het open raam van mijn slaapkamer en mik zo’n beetje op alles wat voorbij vliegt. Meeuwen, duiven, een kraai. Uiteraard schiet ik niet echt, mik alleen. Een merel krijg ik in het vizier. Hij zit op de dakrand bij de achterburen. De vogel is druk doende een partner te vinden, want hij zingt zo luid. Best lang kan ik langs het kruisje van mijn loop naar de vogel kijken, hoe hij weldadig zingt. De rest van mijn leven zal ik misschien wel daardoor van merels blijven houden, vanwege die goddelijke zang. Ik zou hem ook nooit hebben geraakt, als niet per ongeluk de trekker was overgegaan. Mijn vinger tikte nauwelijks voelbaar tegen het ronde profiel. Poef! Het fluiten stopte abrupt. In vrije val ging de merel naar beneden, loodrecht, en met een plof kwam hij terecht in de tuin van de achterburen. Nee, wat had ik gedaan! Ik snelde de trap af om te zien of er nog iets te redden viel. Helaas. De lichtgrijze, bijna menselijke oogleden waren gesloten en het snaveltje hing half open. Hij was nog warm. Eenmaal boven in mijn kamer teruggekomen demonteerde ik het moordwapen vakkundig. Dat pokke ding. Met de schroevendraaier van mijn vader sloopte ik het luchtdrukpistool tot de laatste onderdelen uit elkaar. Elvis schalde door mijn kamer (langspeelplaat): ‘Suspicious Minds…’ Verspreid op de vloer lagen overal schroefjes, nippeltjes, de kolf in drie losse stukken. Nooit had ik gedacht dat een luchtdrukpistool uit zoveel onderdelen zou bestaan. Ik deed alles in een zak en gooide die in de kast. Daarna ging ik naar beneden om de merel in onze tuin te begraven, naast de rododendron. Een schaduwrijk plekje. De grond aanstampend broeide het vocht achter mijn ogen. Jaren later zou nog niemand weten dat daar een merel begraven lag. Regelmatig als ik thuiskwam van school en mijn fiets in de schuur neerzette, keek ik met een scheef oog nog even naar de plek naast de rododendron. Een enkele keer, vanuit mijn slaapkamerraam, zag ik op de dakrand bij de buren weer een merel zitten. Die weldadig floot.

Ik staar naar buiten en zie de merel zich ijverig wassen. Dan stuif ik naar de keuken en kom met een bruine boterham in mijn handen terug. Zelfs als ik de achterdeur opendoe, blijft hij onverstoorbaar op de tak zitten. Ziet hij me werkelijk niet naar buiten komen? De boterham strooi ik in stukjes over de tuintafel uit – maar als ik opkijk is de merel verdwenen. Een lege tak. Ook nadat ik de deur heb gesloten komt hij niet terug. Het brood verregend. Misschien kwam hij even rusten op een tak, zich wassen en weer verder. Ik weet niet waar merels zich doorgaans op een herfstdag mee bezighouden. Maar voor mij kwam hij niets anders doen dan een vervlogen herinnering brengen.

 

 

 

R

 

 

De krantenverkoper

schoenen

1-11-2015

Beste Vincent,

Vanmiddag moest ik weer eens aan je denken, toen ik zomaar langs de ingang van de Bijenkorf in Rotterdam wandelde. Ik heb dat wel vaker, Vincent, moet ik toegeven, soms op de meest onverwachte momenten. Als er schijnbaar geen aanleiding toe is. Bijvoorbeeld bij jaartallen, die ik ergens toevallig zie staan. Dan denk ik: o ja, toen moet jij ongeveer daar en daar zijn geweest, en was je zo oud en logeerde je bij die en die. Want je logeerde continue – jouw leven leek zowaar een aaneenschakeling van logeerpartijen. Ook heb ik die gedachte wel eens als ik beelden uit Frankrijk zie, op televisie, of als ik naar mijn werk fiets in Den Haag, langs de plek waar Goupil ooit heeft gezeten. Daar zit nu overigens gewoon een koffiehuis. Geen spoor meer van de eens zo florerende kunsthandel, geen tegeltje aan de muur, niets. Maar toch moet ik aan je denken, steevast die inval. Ik kan er gewoon niet niet aan denken. Waarom toch? Hoe komt het dat je maar blijft rondwaren overal? Ik ben natuurlijk in Arles geweest, uiteraard, op al die plekken waar jij je schilderijen maakte. Langs de rivier en in het park. Het gevoel dat daar door me heen trok is moeilijk uit te leggen. Het leek nou net of er nog iets van je aanwezig was, in de bomen en de gevels, de weerspiegeling in het water. Of dat jij me vertelde dat je daar werkelijk bent geweest, en misschien zelfs nog niet helemaal bent vertrokken. Maar goed, ik wandelde dus langs de Bijenkorf in Rotterdam, en daar zag ik een krantenverkoper staan: een negroïde man in een versleten lange jas, wollen muts, diep gekromde rug. Hij staat daar trouwens al jaren, zomer en winter, met dat straatkrantje in zijn verweerde grove handen. Elk jaar zie ik zijn rug wat verder doorbuigen, hij schuift heen en weer voor de ingang. Als een trage marathonschaatser. De man lijkt zelfs niet meer goed op te kunnen kijken, mocht hij een krantje verkopen, zo krom. En hij dreunt aanhoudend een liedje, dat telkens onverstaanbaarder wordt. Zo van: ‘Maak me blij, maak me blij… koop een krantje bij mij…’ Natuurlijk koopt er geen hond een krantje bij die arme ziel. Het is hartstikke druk in de stad, de mensen verdringen elkaar, maar ze bewegen in een soort allergische stroom om hem heen. Alsof hij in een andere dimensie verkeert. Dat was precies het moment dat ik aan jou moest denken, Vincent. Die krantenverkoper en jij lijken op eenzelfde manier in de tijd te staan. Onzichtbaar en waarneembaar tegelijk. Hoewel jij tegenwoordig genoeg aanzien hebt, wilde destijds zowat niemand met jou – noch met je kunst – iets te maken hebben. Daar was je veel te afwijkend voor. Misschien te vuil, afstotelijk. Maar vandaag de dag is dat wel anders, de mensen reizen de wereld voor je af, in elke zonnebloem en cipres zien ze jouw hand. Net als ik. Wat is er veel veranderd. Hoe kon vrijwel niemand destijds geïnteresseerd in je zijn en nu zoveel mensen? Wellicht is dat het paradoxale van deze tijd: de mens die via de kunst zichzelf bewondert. Ik heb een krantje bij de man gekocht en hem vriendelijk, heel vriendelijk (misschien wat overdreven) bedankt. Hij wist ternauwernood zijn blik van het trottoir af te wenden, en gaf me een stevige knipoog. 

t.à.t.

 

R

 

Positief labelen

naamloos (3)

22-10-2015

De maatschappelijk werkster bleek een vrouw van een jaar of vijfendertig. Voor de deur van de kazerne parkeerde ze haar Volvo. Toen ze tegenover me zat aan tafel, zei ze: ‘Je krijgt een drol voorgeschoteld… Dat is niet lekker. Ik vind je een beetje neerslachtige indruk maken. Ga voor de zekerheid ook even langs de huisarts…’

Mijn vrouw had heimwee gekregen naar haar geboorteplaats, en zo was ik bij de maatschappelijk werkster terechtgekomen. Niet vanwege eigen psychische klachten, of iets dergelijks, maar omdat ik met concrete problemen te maken kreeg. We moeten naar Drenthe verhuizen maar ik werk in Den Haag. Dat is tweehonderdvijfentwintig kilometer per enkeltje. En wat nu? Misschien een roosteraanpassing op mijn werk aanvragen, zodat ik niet drie maal per week vierhonderdvijftig kilometer hoef te reizen? Daar in de omgeving een baan vinden had ik al eens eerder geprobeerd, dat bleek geen optie. Mijn chef adviseerde me de maatschappelijk werkster, verder zou hij de kwestie eens moeten gaan bekijken.

En daar ging ik vanmorgen: braaf naar de huisarts. We kennen elkaar, de huisarts en ik. Regelmatig zie ik hem ’s avonds met zijn vrouw wandelen, als ik ook met mijn vrouw een wandeling maak. Ik vertelde hem kort hoe ik hier terecht was gekomen. Via mijn vrouw, mijn chef, en de maatschappelijk werkster. Ook vertelde ik over de situatie thuis. Hij knikte. De huisarts is een nuchtere man. Hij zei: ‘Luister. De situatie is duidelijk. Je zult het moeten nemen zoals het is. Ik ken mensen die uit Singapore moesten verhuizen vanwege de heimwee van de vrouw, en die wonen nu in Den Haag. Sommige politici zitten halve dagen in de auto. Maar scheiden wil je niet, dat is rampzalig. Ik heb het vaker gezien… de ellende… getouwtrek. Je moet positief labelen. Maak het jouw ding. Drenthe heeft voordelen, schone lucht daar, lekker rustig…’

Die argumenten had ik vaker gehoord, te vaak, en uit belanghebbende monden. Dus ik somde onmiddelijk een aantal nadelen op. De huisarts schudde zijn hoofd, hij was stellig: ‘Het is zoals het is. Positief labelen… Succes.’ Het was een gesprek van nog geen tien minuten geweest. We schudden elkaar de hand. En ik liep de deur uit.

Al voordat ik buiten was en mijn fiets van het slot had gehaald, drong tot me door dat de aanpak van de huisarts de juiste moest zijn. Een gevoel. De keuze moest de mijne worden. Ik moest me ontdoen van het idee dat de verhuizing me werd opgelegd. Dat was het! Jarenlange discussies met mijn vrouw en interne worstelingen kwamen piepend tot stilstand na een paar minuten bij de huisarts. Ik stapte op de fiets. Het was zacht voor de tijd van het jaar, bewolkt. Een groep luidruchtige ganzen vormden een V in de lucht. Positief labelen. Ik dacht aan mijn werk, aan de komende winter, aan ons huis dat te koop staat, ook moest ik gek genoeg even denken aan de vluchtelingen. Positief labelen. Het zal niet in alle gevallen de oplossing zijn. Toch, om pragmatisme redenen, heb ik een flinke stapel labels op zak genomen.

 

R

 

Vlucht

Displaced people from the minority Yazidi sect, fleeing violence from forces loyal to the Islamic State in Sinjar town, walk towards the Syrian border
17-10-2015

 

Vertrekken zal ik niet – blijven niet

Zoals anderen ooit vertrokken

Omkijken en blijven lopen, lopen

Behoedzaam, gedreven

Voor de gebeurtenissen uit

 

Daarom ben ik hier – waarom ben ik hier

Nooit

 

R

 

Plaats

http://www.dreamstime.com/stock-images-pushpin-marking-location-map-image5209434

12-10-2015

Hoe zal het zijn om te verdwijnen uit de plaats waar ik zoveel jaren heb gewoond. Ik kan me er nog niet zo veel bij voorstellen. Gewoonlijk bind ik me niet aan plaatsen. Eerder andersom. Misschien zal ik er straks anders over gaan denken, eenmaal ver weg. Zullen er herinneringen opkomen waar ik nu geen donder om geef? Mensen, aangelegenheden? Of zal het leven me sluw bij de hand nemen en me amper de tijd gunnen achterom te kijken. Naar die plaats, die een stuk verderop ligt en natuurlijk verandert met de tijd. Zoals elke plaats. Buiten mij om zal alles langzaamaan wijzigen, de straten en pleinen waar herinneringen liggen opgeslagen. De gebeurtenissen. Tot ze slechts in mijn hoofd bestaan. En uiteindelijk ook daar niet meer.

 

R

 

Recensie ‘Iva’ in The Post online

iva-611x328

http://cult.tpo.nl/2015/09/30/geslaagd-staaltje-spanningsopbouw-verdient-extra-oppoetsbeurt/

Geslaagd staaltje spanningsopbouw verdient extra oppoetsbeurt van eindredactie

Recensie: ‘Iva’ van Richard Brand

De roman Iva van debutant Richard Brand is een prikkelende pageturner met een verrassende gelaagdheid. Hoewel soms zichtbaar is dat we met een beginnend schrijver te maken hebben, verdient Iva een breder lezerspubliek.

Grote onbekende

Richard Brand heeft geen grote staat van dienst in de literatuur. Hij lijkt een grote onbekende, een van de vele jaarlijks debuterende schrijvers zonder een groot publiek. Een google-zoektocht leert dat Brand in Schiedam woont en bevelvoerder is bij de brandweer Den Haag. Hij heeft een blauwe maandag Cultuurwetenschappen gestudeerd, maar niet afgemaakt. Een gedeelte van de opbrengst van Iva -waarin hersenletsel een grote rol speelt- schenkt Brand aan de Hersenstichting.

Verhaallijn

Hoofdpersonage is Stan Weideveld, universitair docent Cultuurwetenschappen en bezig aan zijn proefschrift. Daarin probeert hij de essentie van kunst te doorgronden en te plaatsen binnen de biologie en evolutie van de mens. Stan is een dromer en filosoof, in tegenstelling tot zijn streberige, carrièregerichte vrouw Vivienne.

Tijdens een rondje joggen komt Stan in botsing met een jonge vrouw op de fiets, waarna zij hard ten val komt. Voordat zij het bewustzijn verliest, mompelt zij het woord ‘Iva’. Of zij hiermee haar eigen naam bedoelt, wordt niet duidelijk, maar Stan neemt het gemakshalve aan.

Iva gaat naar de Intensive Care, waar Stan haar enige tijd later bezoekt. Zij bevindt zich in kritieke toestand en blijkt een mysterie. Iva heeft geen documenten met haar echte naam bij zich en zij is door niemand als vermist opgegeven. Stan bezoekt Iva steeds vaker. Haar toestand stabiliseert en zij verhuist naar een afdeling voor langdurige verpleging.

In zijn obsessie voor Iva vervreemdt Stan van zijn eigen vrouw, die inmiddels promotie heeft gemaakt. Terwijl hij dagelijks Iva bezoekt, begint zij een affaire met haar baas, waarna zij Stan verlaat. Het contact tussen Stan en Iva wordt -ondanks haar coma – steeds inniger.

Op een dag moet Stan zich melden bij de politie. Iva blijkt zwanger. Stan is de enige man die haar bezoekt en daarmee hoofdverdachte. Hij blijkt inderdaad schuldig. Dit brengt Stans leven dat hij tot dusverre leidde voorgoed ten einde. Iva bevalt van een dochter en overlijdt tijdens de geboorte. Het mysterie van haar identiteit neemt zij mee haar graf in.

Gelaten ondergaat Stan zijn gevangenisstraf. Als deze erop zit, trekt hij bij zijn moeder in en zoekt tevergeefs nieuw werk. Een deprimerend bezoek aan een prostituee brengt Stan tot het inzicht dat Nederland hem niets meer kan bieden. Hij vertrekt naar Thailand, waar hij zich terugtrekt in het oerwoud. Stan kan er niet aarden. Angstvisioenen en wilde dieren zorgen voor voortdurende onrust en Stan besluit terug te keren.

Stan en Iva’s dochter Xenia blijkt ondertussen een onhandelbaar kind dat van pleeggezin naar pleeggezin gaat, totdat Stans moeder Jolien zich over haar ontfermt. Jolien komt echter te overlijden, kort voordat Stan terugkeert naar Nederland. Stan neemt de zorg voor zijn -inmiddels met autisme gediagnosticeerde- dochter op zich en lijkt de eerste aan wie zij zich daadwerkelijk bindt. Hij vindt een baan als archivaris. Xenia blijkt een uitzonderlijke interesse voor kunst te hebben en daarnaast een groot talent voor rekenen en muziek. Zij lijkt de belichaming van de artistieke mens, waar Stan vele jaren eerder zijn promotie-onderzoek aan wijdde. De cirkel is rond.

Hable con ella

Richard Brands heeft met Iva een doorwrochte roman geschreven, met een verrassende verhaallijn. Hij zet zijn personage Stan zo neer dat de lezer van hem blijft houden, ondanks de ernst van zijn misdaad. De overeenkomsten met de film Hable con ella van regisseur Pedro Almodóvar, waarin een verpleegkundige een comateuze patiënte bezwangert, dringen zich op en het lijkt aannemelijk dat deze film Brand inspireerde. In zowel Iva als de film komt het voor de lezer/kijker als een verrassing dat de held inderdaad de schuldige is. Geen gerechtelijke dwaling, gewoon keiharde schuld, waarvan de dader de consequenties draagt.

Spanningsopbouw

Brand weet de lezer bij het verhaal te houden, met helder taalgebruik en een knappe spanningsopbouw, die maakt dat het boek lastig opzij gelegd kan worden. Een uitzonderlijke prestatie voor een debutant zonder literaire achtergrond. De treffende overeenkomst met Hable con ella is niet storend en valt onder de categorie ‘beter goed gejat dan slecht verzonnen’. Uiteindelijk staat deze passage in dienst van een verhaal dat door Brand zelf knap is verzonnen.

Overbodigheid

Perfect is Iva ondanks de mooi uitgewerkte verhaallijn echter niet. We hebben te maken met een beginnend schrijver en dat is soms duidelijk zichtbaar. Sommige passages lijken overbodig of zijn te voorspelbaar. Stans filosofisch gemijmer over kunst wordt bij vlagen te sentimenteel. De lezer ziet de breuk tussen Stan en Vivienne al vanaf het begin aankomen. Met de affaire van Vivienne met haar baas Paul komt het ‘vrouw gaat er vandoor met baas’-cliché in het verhaal: een onnodige toevoeging. Door volledig te focussen op de omgang tussen Stan en Iva en de verwoestende invloed hiervan op zijn relatie, had Brand de diepgang beter in het gehele verhaal kunnen vasthouden.

Taalfouten

Taalkundig rammelt het een beetje in Iva; iets wat na een tijdje begint te storen. Schrijffouten als ‘een stigmata’ en ‘Aspergesyndroom’ mogen niet voorkomen in een literair werk, zeker niet als het een dergelijk hoog niveau heeft. De taalfouten vallen nog te veel op, en dat verdient het boek niet. Een grondige eindredactie is dus nodig voor een eventuele nieuwe druk.

Getalenteerd schrijver

Iva ontstijgt het niveau van lekker leesbare lectuur, we kunnen het werk oprecht literatuur noemen. Richard Brand zet zichzelf neer als een getalenteerd auteur, die het in zich heeft om meer romans te schrijven. Eerst verdient dit debuut meer aandacht, het liefst met een grondige taalkundige oppoetsbeurt. Dan komt Iva voor de volle 100% tot zijn recht.

Iva verscheen als ebook bij: De Nieuwe Uitgeverij (september 2014).
ISBN: 9789491983153

Marguerite

Van_Gogh_-_Marguerite_Gachet

26-07-2015

 

Beste Vincent,

Laatst sprak ik een kunstenaar die een componist had gesproken, en die vertelde dat hij iets over jou had gehoord. Iets eigenaardigs. Informatie die niet helemaal overeenkomt met wat doorgaans over je wordt verteld. Ik hou niet zo van roddels, meestal gaan dit soort dingen het ene oor in en het andere weer uit. Maar dit bericht trok mijn aandacht. Deed me duizelen.

Het zou om ene Gerard Werff gaan, hij had informatie over wat jij zou hebben meegemaakt. Het was hem dertig jaar geleden ter ore gekomen en hij was ermee blijven rondlopen. Op een dag moest de bom barsten, het kwam eruit. Ik wist zijn nummer te achterhalen.

Aan de telefoon zei Werff dat hij door omstandigheden in een achterstandswijk woonde. Dat klopte. Ik parkeerde voor de deur en belde aan. Hij woonde op de derde etage. In de trapopgang, naast zijn voordeur, stond een groot schilderij van een vrouw – ‘een hoer’, zei hij – die haar tanden in jouw oor zet.

Werff zag eruit zoals een componist eruit hoort te zien: grijs haar tot aan zijn schouders, kromme rug, ongeschoren, slonzig. Zijn flat was bezaaid met schilderijen, beschilderd papier eigenlijk. Ik zag nagebootste werken van jou en van Vermeer, aan een andere muur hingen onbekende werken. We moesten eerst een kop koffie drinken, zei hij. Daarna zouden we naar een clubgebouw gaan om verder te praten. Werff hechtte veel waarde aan de omgeving bij een gesprek. Vooral dit gesprek.

We gingen naar het clubhuis en namen plaats in een kleine ruimte, hij trok de deur achter zich dicht. We spraken er zeker anderhalf uur. Werff trok veel conclusies uit wat hij in 1985 van Henk Badings had vernomen. Henk Badings was een beroemd componist, dat was de reden van het bezoek geweest aan diens villa te Maarheeze. Ze spraken over muziek maar al snel ging het over van alles. De normaal gesproken zeer terughoudende Badings werd zowaar openhartig, misschien omdat hij zijn einde voelde naderen. Hij vertelde dat hij jouw neef Vincent Willem van Gogh nog goed had gekend, ze studeerden aan dezelfde universiteit. Het gesprek ging verder over macht en geld, en Badings zei: ‘Nederland is net een visvijver met heel veel haaien. De geschiedenis wordt verdraaid vanwege zakelijk belang.’ En toen vertelde hij dus wat hij van Vincent Willem van Gogh had gehoord, die het op zijn beurt weer van zijn moeder Jo Bongers had meegekregen: dat jij je in Auvers sur Oise hebt vergrepen aan de dochter van dokter Cachet, Marguerite Cachet. En dat daarom haar broer Paul jou zou hebben neergeschoten.

Ik kon mijn oren niet geloven, Vincent. Het tolde voor mijn ogen. Veel puzzelstukjes zag ik eerlijk gezegd wel op zijn plaats vallen – hadden ze jou daarom destijds niet naar het ziekenhuis gebracht? Na het gesprek gingen we nog even terug naar de flat van Werff. Hij had een boek met veel van jouw brieven die ik van hem mocht lenen. Ik vroeg hem wat al die vreemde schilderijen inhielden aan die ene muur, maar daar wilde hij niet op ingaan. Hij was te moe van het praten, moe van de opwinding.

De dagen daarna moest ik veel over de kwestie nadenken. Was dit een gouden vondst of had ik nu met een doorgedraaide componist te maken? Ik geloofde natuurlijk in jouw verhaal, Vincent, zoals het is overgedragen. Maar kon ik hier helemaal niets mee doen, het zo laten? Ik moest iets ondernemen.

Eerst ben ik de connectie Vincent Willem van Gogh – Henk Badings eens nagegaan. Die was er: allebei studeerden ze aan de TU in Delft. De volgende stap: had Badings dit misschien ook tegen anderen verteld, zijn familie? Badings zelf was al in 1987 overleden. Tot mijn verbazing zag ik op internet dat het telefoonnummer van zijn landhuis Hugten te Maarheeze nog bestond. Tegen beter weten in draaide ik het nummer. Hetty Badings, zijn tweede vrouw, was wellicht jonger dan hij. Verdomd, ik kreeg haar verzorgster aan de lijn! Mevrouw Badings was helaas niet meer aanspreekbaar. Maar zonder aandringen gaf de vriendelijke verzorgster me het telefoonnummer van de belangenbehartiger, ene Karel Maat. Misschien kon hij iets voor me betekenen. Ik kreeg langzaamaan het gevoel van een sturende hand.

Karel Maat klonk als een Brabander met een eigen zaak. Hij hoorde me geduldig aan, leek zelfs een beetje nieuwsgierig. Ik vroeg hem of er nog familie was. Ze bleken een dochter te hebben in Duitsland, die met haar moeder had gebroken. Ze was chirurg. Maat vertelde dat hij haar af en toe belde om dingen te bespreken. Regelmatig kwamen er nog vragen van mensen over Badings’ muziek. Hij zou mijn vraag heel voorzichtig aan haar voorleggen, want ook zij was zeer terughoudend, net haar vader. We beëindigden het gesprek, maar hij belde me een paar minuten later terug. Henk Badings ging met de meest hooggeplaatste lieden om, zei hij, tot het koningshuis toe. Het kon allemaal wel eens kloppen. Trouwens, de werkkamer van Henk Badings, in de villa te Maarheeze, was sinds zijn dood niet meer open geweest. Binnenkort moest er geruimd worden, vanwege de muizen. Badings hield dagboeken bij, hij was een schrijvertje. Mocht het waar zijn dan zou de wereld dit toch eigenlijk niet mogen worden onthouden. Hij wist dat er nog stukken in de kluis lagen die pas over enkele jaren werden vrijgegeven, ook dat. Uiteindelijk hingen we op. Zodra hij iets belangwekkends vond, zou hij me onmiddellijk terugbellen.

Ik heb Karel Maat nog een keer teruggebeld maar hij had nog niets gevonden of gehoord. Alleen dat Badings’ beste vriend Toon Kelder heette, een schilder. Daar moest ik het eens proberen. Ook Toon Kelder bleek dood.

Op een dag ben ik naar Gerard Werff gegaan om zijn boek met jouw brieven terug te brengen, Vincent. Ik vroeg hem wat die vreemde schilderijen voorstelden aan die ene muur. Hij keek me fronsend aan en vertelde, dat hij geloofde dat Adam en Eva ooit door ruimtewezens op deze planeet waren gezet. Die scènes had hij geschilderd.

Enfant du siècle,

Richard

 

Kunstenaar

 

 

Raaijmakers, Ronald

 

15-7-2015

Gisteren hebben we een kunstenaar uit zijn woning gehaald – het was tegen het eind van de ochtend. Hij lag al vanaf middennacht op de vloer in de gang. ‘Waarschijnlijk een wervelfractuur,’ zei de ambulancebroeder terwijl hij de brancard voor de deur gereed maakte. Ik zag eerst een open keukentje, schilderijen langs de plinten, stillevens. Op een schildersezel stond een half geschilderd zeegezicht. Een vreemde flatwoning was het: in de kamer een trap naar boven, nog een trap naar rechts, deur door. En daar lag hij op zijn rug in de smalle gang die naar de slaapkamer leidde. Opgezette paarse voeten, blote buik, zijn ogen strak gericht op het plafond. ‘Pas op dat je niet uitglijd,’ de zuster zat op haar hurken naast hem, ‘het zit hier onder de urine.’ De vloer glom. Ze checkte de draagbare monitor aan zijn hoofdeinde. Hij moest horizontaal worden afgevoerd. Hoewel behoorlijk verdoofd had hij toch veel pijn. Maar horizontaal? Die trappen, het leek een onbegonnen taak. Dan door het raam misschien – wel een lastige hoek voor de hoogwerker. Het moest maar lukken. We verplaatsten een bank en schoven wat lege wijnflessen aan de kant. Hij werd ingepakt, het hoofd gefixeerd, dekentje erover. Als een mummie aan de brancard gebonden. Daar ging hij door het raam: een jaar of vijfenzestig aan kunstenaar.

 

Emmen

emmerdennen

9-4-2015

Met Pasen ben ik met mijn vrouw en zoontje naar Emmen gegaan. De zaterdag en zondag. Mijn vrouw komt daar van origine vandaan en eens in de zoveel tijd ga ik graag mee. De zon scheen en het was een graadje of tien. Mijn schoonouders zijn gek op onze kleine jongen, dus konden wij mooi van de gelegenheid gebruik maken en samen naar de sauna gaan. In Zuidwolde. Daarna zijn we vanaf de rietplas naar het centrum van Emmen gefietst. Best een lang eind na een paar uur sauna. Inmiddels was het frisser geworden. Even dacht ik zelfs dat ik door de kou zou worden bevangen of minimaal een voorhoofdsholteontsteking opliep. Maar eenmaal binnen in ‘Café restaurant Reu de Gare’ was ik de kou al snel weer vergeten. Ze had een tafeltje gereserveerd bij het raam en er schoven ook twee vriendinnen van haar aan. We dronken eerst een biertje. Café Restaurant Reu de la Gare is een sfeervolle plek. Op een krijtbord stond een Jazzband voor de avond aangekondigd. Ook kwamen er volgens mijn vrouw regelmatig dichters en schrijvers. In zo’n café, dacht ik, zou ik in Schiedam elke week te vinden zijn. We bestelden spareribs en de huiswijn dronk lekker weg. Na het eten besloten we maar te blijven. De Jazzband begon langzaamaan te spelen en aan de bar raakte ik met verschillende mensen aan de praat. Eerst een groepje jonge mannen, daarna twee leraressen en wat later een schooldirecteur. Toen er een oudere man het café kwam binnenlopen, met kort grijs haar, riep een van de jonge mannen: ‘Hé kijk, daar heb je boer Geert ook!’

Nippend aan mijn glas bier en genietend van de Jazzband moest ik denken aan de kritiek die laatst over Emmen werd geuit, in Brandpunt. Kritiek biedt dikwijls de kans voor zelfreflectie, evengoed voor de criticus zelf. Het ging onder andere over de geïsoleerde ligging van Emmen. Waarmee wordt bedoeld dat de stad op te grote afstand van andere steden ligt. Inderdaad, vanaf bijvoorbeeld mijn woonplaats, Schiedam, is Emmen twee uur rijden. Of dat in alle opzichten nadelig moet zijn, weet ik zozeer niet. Het is net hoe je kijkt. Voordelen kunnen gemakkelijk als nadelen worden uitgelegd. Als je geen zin of tijd hebt om ver te reizen en toch een poosje van de rust en natuur wilt genieten, is twee uur rijden een kippeneindje. Elke dag een dergelijke afstand naar je werk is wel erg ver. Emmen zal voor mensen uit de Randstad niet de aangewezen werkplek zijn. Maar moet dat dan? Je hebt eenmaal natuurgebieden en industriegebieden. Waar je wilt wonen is uiteraard een eigen keuze. Voor Drenthe als geheel gloort er in ieder geval een hoopvolle toekomst. Vanwege de toenemende onveiligheid in de wereld en de economische onzekerheden, zal het binnenlandse toerisme de komende jaren naar verwachting alleen maar groeien. Nederland wordt populairder en Emmen zal daar zeker een aandeel in hebben; ik ken weinig mensen die er niet graag vertoeven. Die zogenaamde peperdure dierentuin kan nog wel eens goed uitpakken, omringt met vakantieparken en ander vertier. Binnen twee uur rijden is de stedeling al op bestemming. Daar kan hij tot bedaren komen en zijn longen volzuigen. Met boslucht. Een competitief lijstje van ‘de Atlas voor gemeenten’ zal daar weinig aan veranderen. Daarin wordt immers niet de Emmense horizon vermeld; de stille vergezichten, en de Emmerdennen in het midden van de stad. Een park is toch iets heel anders dan een bos. Voor mij als stedeling (voor de Drent: een westerling) heeft de hondenuitlaatstrook voor mijn deur al iets landelijks. De Emmense bossen zijn wel tienduizend uitlaatstroken groot. Ik nam een slok bier, en de Jazzband zette een stevig nummer in. Waardoor ik plotseling de neiging kreeg een pirouette te draaien. Zo maar. En dat deed ik ook. De mensen om mij heen deden niet mee, zij maakten geen pirouette. Maar dat vond ik niet zo erg. In Schiedam was me dat wel vaker overkomen. Ik bestelde nog een biertje en ook eentje voor mijn vrouw. Daarna (ik mocht van haar nu geen pirouette meer draaien) schoot de schrijver Peter Middendorp mij te binnen. ‘Vertrouwd voordelig’, is de titel van zijn laatste roman, waarin hij afrekent met zijn jeugd in Emmen. Hij woonde boven een Blokkerfiliaal. Het boek is duidelijk in de literaire traditie geschreven. Integer, en nauwkeurig geconstrueerd. Een jongen van zeventien die zich afzet tegen zijn omgeving. Zoals Gerard Reve in ‘De avonden’, en Arnon Grunberg in ‘Blauwe maandagen’. Kunstenaars en schrijvers dienen zich, welhaast volgens protocol, aan hun roots te ontworstelen. Desnoods achteraf. Het is niet voor niets, dat in ‘Vertrouwd voordelig’ de hoofdpersoon Vincent heet.

Later op de avond zijn we nog even naar Café Groothuis gegaan. Dat was gezien mijn toestand niet erg verstandig. Maar het was niet voor niets. Ik zag de jongeren vrijpostig dansen. Het mag een cliché heten: ook in Emmen heeft de jeugd de toekomst.

 

 

Richard Brand

Tacticus

nieuws_6274_584

28-12-2014

 

Vroeger dacht ik altijd dat de mensen inhoudelijk met elkaar spraken. Je vertelt iets over het een of ander, iets interessants dat je hebt ontdekt, gelezen of ergens gezien en verwacht dat je gesprekspartner daarop ingaat. Naïef gedacht natuurlijk. Men interesseert het niet werkelijk, tenminste, niet iedereen. Er zijn namelijk twee verschillende soorten mensen: inhoudelijke en tactische. Van de tweede zijn er onvoorstelbaar veel, de eerste lijkt langzamerhand een uitgestorven ras te worden. Je vergist je er gemakkelijk in, aan de buitenkant zijn ze vrijwel niet te onderscheiden. De inhoudelijke en de tacticus. Ze gedragen zich hetzelfde, stellen dezelfde soort vragen, knikken wanneer er geknikt moet worden. Maar de één interesseert het besprokene, de ander ook wel enigszins, maar op een andere manier. De tacticus, waar er miljarden van rondlopen, is slechts geïnteresseerd in de bedoelingen van de ander. De bedoelingen van de opmerkingen. Niet de opmerkingen zelf. Je vertelt bijvoorbeeld dat je je vandaag niet zo lekker voelt, je bent verkouden, en de tacticus denkt: wat bedoelt hij daarmee? Vindt hij mij niet aardig? Heeft hij eigenlijk geen zin om met me te praten, of wat? Geen haar op het hoofd van een tacticus die er aan denkt dat je misschien alleen verkouden bent. Het zou eventueel wel mogelijk zijn, als je zichtbaar helemaal leegloopt, dat de tacticus je gelooft. Maar de reden dat je het aan hem vertelde, geeft te denken. Je zegt zoiets natuurlijk niet voor niets.

En dat geldt dus voor alles wat je zegt of doet, tegen vrijwel iedereen. Je zegt goedemorgen of knikt, je vraagt hoe het met de ander gaat of niet, vertelt iets met enthousiasme of op een alledaagse toon. Alles wordt gewogen. Alles beoordeeld. Waarom vertel jij dit zo enthousiast of juist op zo’n alledaagse toon? Waarom? De tacticus veronderstelt geen toevalligheden, inhoudelijke verhalen zijn slechts zetten op het sociale schaakbord. Een façade. Wat wil je eigenlijk bereiken? Het gaat hem erom wat je bedoelt. Je mag zoeken en verlangen naar een ongekleurd (noem het naïef) gesprek, echter ‘de inhoudelijke’ is zeer lastig te herkennen, je bent nooit helemaal zeker wie je voor je hebt.

Het pijnlijke van deze constatering is dat het met terugwerkende kracht ook geldt. Natuurlijk zou je kunnen denken dat de tacticus iets van de laatste tijd is, misschien vanwege de crisis. De wereld verhardt en de mens past zich aan. Binnen de kortste keren ben zelf ook een tacticus als je niet uitkijkt. Je zult haast wel moeten. Wat voor zin heeft het nog een inhoudelijk verhaal op te hangen als je beseft dat je gesprekspartner het beoordeelt op de tactische waarde. Volstrekt zinloos. Het zal zoeken worden naar de zeldzame ‘inhoudelijke’ sterveling, zoals jijzelf. Want die hebben zich natuurlijk net als jij inmiddels in rap tempo moeten aanpassen. Ook zij zien aan de buitenkant niet hoe jij in elkaar steekt. De toekomst van het onbekommerde inhoudelijke gesprek is dus nogal somber. Maar dan hebben we het slechts over de toekomst. Nogmaals, het pijnlijke is dat het verleden ook een schijnvertoning blijkt. Geschiedenis is geen vaste bodem. In die zin dat het verleden anders kan worden geïnterpreteerd. Nu het onderscheid tussen de inhoudelijke en de tacticus zich duidelijker manifesteert, wordt het tijd je ernstig te bezinnen over het verleden. Was het niet altijd al een leeuwenkuil? Heb je je niet verkeken. Achteraf moet je bekennen dat het natuurlijk zo is. Inhoudelijke gesprekken waren vermoedelijk nooit veel waard, niet in het vrije sociale verkeer. Op universiteiten en in kerken en dergelijke zal het anders zijn, maar ook daar wordt het politieke spel gespeeld. Misschien juist daar. Echt vrij van intriges ben je vermoedelijk nergens.

Dat brengt ons op de laatste trede naar ontgoocheling. Stel, je bent verkouden en je zegt ook dat je verkouden bent. Dan kun je je achteraf in alle redelijkheid misschien afvragen waarom je dat eigenlijk nog moest mededelen. Om je te verontschuldigen? Of een andere reden? Je gesprekspartner zag immers zelf ook wel dat je verkouden was. Schuilen er achter de terloopse opmerkingen van jezelf niet onbewust toch andere motieven? Indekking. Intuïtieve sturingen. Insinuaties. Weet je zeker dat je niets bedoelde met die opmerking? Kun je de oorsprong, in het netwerk van alle onderhuidse perikelen, nog achterhalen? Ben je zelf niet zonder het te weten stil een tacticus?

 

R

Droom

ZkpaaldJcpfB

 

26-11-2014

Ik droomde, dat ik buiten naakt rondliep; het bleek in de straat van mijn ouderlijk huis te zijn. Al lopend probeerde ik mijn geslacht af te schermen met mijn handen. In het gras naast het huis (gras dat er in werkelijkheid niet was want er groeiden daar namelijk alleen planten achter een hekje) zaten twee oude bekenden naast elkaar. Zij lachten en riepen iets onduidelijks. Maar ik haastte me, zocht beschutting, ging door de achterdeur het huis binnen. Het zag er anders uit daarbinnen maar toch enigszins hetzelfde. De indeling klopte niet helemaal. De gang waar ik me in bevond maakte een onbekende hoek naar links en plotseling werd ik ingehaald door mijn onlangs overleden vrind. Hij passeerde me rakelings. Hij was veel jonger, een jaar of vijfentwintig, en droeg een wit shirt en een glanzende zwarte sportbroek. Hij zag er uit zoals ik hem jaren geleden goed gekend heb. Gebruind en energiek. Stralend. Hij kwam tot stilstand en wendde zich naar mij. Nu was ik niet meer naakt. Vreemd genoeg vermoedde ik dat ik me in een droom bevond, zulke dromen moest ik instinctief herkennen. Dus ik greep onmiddellijk mijn kans en omhelsde hem stevig. We omhelsden elkaar. Ik voelde hem werkelijk. Een paar tellen duurde het hele moment. Niet veel langer. Toen maakte hij zich los, en zei: ‘Dit kan maar één keer, of misschien een paar keer…’ En plotseling stond ik daar met lege handen. Hij was verdwenen. Ik keek verwonderd naar de plek waar hij zojuist nog stond en zag in zijn plaats een doodsmasker neervallen, op een doek. Perplex als ik was begreep ik al te goed wat dit betekende: de dood is definitief, daarmee zou ik het moeten doen. Ik schrok wakker en kwam overeind. Staarde in de holle duisternis van mijn slaapkamer. Vandaag was de datum van zijn verjaardag, realiseerde ik mij. De meeste dromen vervliegen bij het ontwaken vanzelf, ook al doe je de grootste moeite ze even vast te houden. Deze droom bleef me helder voor ogen.  

 

 

Van het één komt het ander

20141021_16102220141021_16243720141021_16143620141021_16145420141021_161454

Bezoek aan Rob Scholte

21-10-2014

 

Vorige week zat ik onderuit op de bank en keek naar DWDD. Daar zat Rob Scholte aan tafel, de beroemde kunstenaar. Hij vertelde over de oorlogsprenten van Jan Sluijters, die hij had verzameld en uitgebracht in boekvorm. Scholte was in jaren niet meer in de media verschenen en dat leidde mij enigszins af van het besproken onderwerp. Ineens hoorde ik hem op een vraag van Jort Kelder antwoorden: ‘Je bestaat niet omdat je gezien wordt: je bestaat omdat je bestaat.’ Even was het ernstig stil in de ogen van Jort Kelder, een moment van verstarring. Soms heb je een klik met iemand terwijl je zelf nog geen woord met diegene gewisseld hebt. Ik wist niet erg veel van Rob Scholte, maar bij deze uitspraak wist ik voldoende.

Nog dezelfde avond stuurde ik Rob Scholte een mailtje met een link naar mijn vorige blog, waarin ik kunstenaars oproep zich te laten inspireren door mijn roman, ‘Iva’. Een hoogmoedig voorstel natuurlijk. Niet veel later ontving ik een warm geformuleerd antwoord, waarin hij afsloot met de volgende woorden: ‘… Wat je wilt hebben, moet je laten gaan. Dat is een les die ik nog altijd leer. Succes gewenst door mij. Liefs, R.’

Er ging een week voorbij, totdat Scholte plotseling weer in mijn gedachte verscheen. Ergens was hij blijven haken. Wederom stuurde ik hem impulsief een mailbericht met de vraag of ik niet eens bij hem mocht langskomen. In zijn atelier. Om te zien hoe hij werkte. Als gezinsman en amateur schrijver had ik immers niet altijd evenveel inspiratiebronnen. Hij antwoordde dezelfde dag nog, dat ik hem mocht bellen om af te spreken.

De volgende dag zat ik in de trein naar Den Helder, op weg naar de kunstenaar. Normaliter lees ik in de trein, nu kon ik niet anders dan door het raam naar buiten staren. Het regende hard. Onderweg noteerde ik wat mij zoal te binnen schoot over Rob Scholte en zijn kunst.

Waarom zit hij in Den Helder? – Hij lijkt de dingen van nieuwe betekenissen te willen voorzien: plaatjes, beelden – Cultuurkritiek, provoceren, postmodern, shoppen –  Zoekt hij vrijheid net als de expressionisten? – Ooit vroeg Scholte de firma Philips een lamp te ontwikkelen, die geen licht geeft maar duisternis. Hij doet dus aan omkering, net als Mulisch – Nieuw versus oorspronkelijkheid – Copyright, hernieuwen op een eigenzinnige manier – In de literatuur worden ook veel dezelfde verhalen verteld – Democratisering van de kunst: alles kan en mag gebruikt worden. Juist ook de afgeschermde merken en patenten – Is kunst een strohalm, een niche, voor Rob Scholte? Wat zou hij geworden zijn zonder de kunst? Wil hij dat zijn werk hem overleeft? Waarom maakt hij kunst? Hij reorganiseert de wereld, in die zin, dat niet alles vaststaat. Bevecht hij het determinisme? – Vervreemden, conventies, zekerheden overboord – Maar als je de traditionele opvattingen overboord gooit, ben je dan toch ook niet aan het vernieuwen?-  Evolutie – Wat wil hij zeggen? Wie zijn zijn klanten? – Vervreemden: omdat als we blind achter elkaar aanlopen er dingen gebeuren zoals bijvoorbeeld ‘de tweede wereldoorlog’ – Dingen uit zijn verband rukken. Zou hij dat ook bij van Van Gogh doen?

Precies om 15.00 uur kwam ik aanlopen op het achterterrein van zijn museum, zoals afgesproken. Ik toetste zijn mobiele nummer en werd opgehaald door een assistent, een tengere man met een grijs baardje. De goederenlift bracht ons naar de eerste etage. Daar opende zich een groot wit atelier, waar verderop de kunstenaar in een open kantoor zat. Hij kwam me meteen tegemoet en ontving mij hartelijk.

Zittend aan een grote tafel kreeg ik een kop koffie van hem aangeboden. Een kunstenaar en een brandweerman in het kantoor van een atelier. Hij zag er precies zo uit als op de tv. Het gesprek kwam meteen op gang, zonder enige terughoudendheid van een van beiden. Alsof ik elke week even bij hem langskwam om bij te praten. Ik bood hem een Schiedams souvenir aan: een fles Ketel 1. Hij gaf me zijn boek, Hot chocolate, en de oorlogsprenten van Jan Sluijters.

Eerst spraken we over mijn boek. Daarna over de kunst. Tussendoor stelde ik de vragen die mij terloops te binnen schoten. Het viel mij op dat hij zijn huiswerk had gedaan. Hij wist van mijn baan en ook dat ik Arnon Grunberg eens had ontmoet. Rob gaf aan dat hij last heeft gehad van het prototype ‘de geniale gek’ zoals dat is ontstaan na Vincent van Gogh; zelf had hij nooit de behoefte gevoeld daaraan te voldoen. Hij maakte kunst voor ‘nu’, en omdat hij het mooi vind. Hij gebruikte onder andere clichés en merksymbolen, maar niet zonder moraal, niet willekeurig. ‘De vrijheid van de een mag niet ten koste gaan van de vrijheid van een ander.’ Ook vertelde hij over zijn periode van non-media, zo’n veertien jaar lang. Destijds werd hij geblokkeerd, gestigmatiseerd, door de continue vragen over het ongeval. Dat kon hij eenvoudigweg niet langer verdragen. Uiteraard kwam de kwestie aan bod: wat is kunst? Voor Rob Scholte is kunst natuurlijk iets anders dan voor mij, zoals voor een ieder. De term ‘kunst’ lijkt bijkans nog glibberiger dan de term ‘literatuur’. Glad als een aal die tussen je vingers vandaan glipt. Maar dat maakte het onderwerp des te interessanter. Door kunst te maken, vertelde Rob, kwam hij van het één in het ander terecht, ideeën volgden elkaar op, ontmoetingen vonden plaats, enzovoorts. Daarover kon ik meepraten. Door een boek te schrijven had ik een bekende schrijver ontmoet. En nu zat ik hier.

De kunstenaar, Rob Scholte, leek mij een denker en een doener. Of andersom, daar was ik niet zeker van. In ieder geval een harde werker. ‘Je moet er iets van maken,’ had mijn vader me ooit gezegd, viel mij in, toen ik bij hem aan tafel zat. Deze kunstenaar had dat op een adequate manier gedaan. Misschien was dat uiteindelijk waar de kaf van het koren werd gescheiden: als de denker en de doener zich in één persoon verenigden.

Voordat ik naar huis ging, heeft Rob Scholte mij in zijn museum rondgeleid. Daar hangen werken van velerlei kunstenaars. Een indrukwekkende kunstverzameling; houtsnijwerken, tekeningen… soorten kunst die je niet snel elders zult tegenkomen. Een beschilderde foto van Rob samen met Ramses Shaffy sprong in het oog. Het verhaal daarachter vertelde hij mij. Het tragische einde van Ramses, die in de kroeg, voor een luttel bedrag, de rechten van zijn liedjes verkocht. Ramses Shaffy kon die bewuste avond niet meer ophouden met zingen. ‘kijk omhoog Sammy…!’ hoorde ik hem in gedachte schallen.

Overladen met indrukken, verliet ik tegen zessen het museum. Ik had Rob Scholte omhelst en bedankt voor het onvergetelijke bezoek. Hij had tenslotte een onbekende figuur binnengehaald, aan zijn lieve vrouw en dochter voorgesteld, en met veel enthousiasme met hem gesproken. Wat kon een mens meer wensen.

In de trein naar huis voelde ik wederom geen behoefte tot lezen. Kon me niet concentreren. Het regende onafgebroken tegen het donkerende raam. Eenmaal thuis stuurde ik Rob per e-mail het ooggetuigenverslag van Adeline Ravoux; over de laatste dagen van Vincent van Gogh in Auvers-sur-Oise. Ook daar hadden we die middag over gesproken. Hij stuurde mij een verslag terug van Gerard Scherff, over diens ontmoeting met Hendrik Badings; die op zijn beurt Vincent Willem van Gogh weer had ontmoet. Het verslag dat ik las, deed mij duizelen. De geschiedenis maakte een wenteling. Voor de komende tijd had ik genoeg inspiratie. Er was weer werk aan de winkel.

 

Richard Brand

 

 

Een kans voor kunstenaars

museu-boijmans-schroef

6-10-2014

 

Afgelopen dinsdag had ik een ochtend vrij en ben weer eens een keertje naar museum Boijmans gegaan. Als je even inspiratieloos bent of gewoon futloos, kan een museum soms uitkomst bieden. Na een drukke week en een geslaagde boekpresentatie van mijn debuutroman ‘Iva’ kon ik wel wat ontspanning gebruiken. Na het binnentreden bestelde ik eerst in het restaurant een luxe broodje zalm en een vreemdsoortige vruchtensap; iets met mango of een andere exotische vrucht. Kauwend en zuigend aan een rietje staarde ik door de glasgevel naar de achtertuin, waar een enorme kunstzinnige grijze schroef gebogen in het gras staat. Ik liet het museum op mij inwerken, of gek genoeg, dat deed het museum zelf. Een gevoel van rust streek over mij neer, de omgeving ademde kalmte. Alsof in het museumgebouw de buitenwereld niet werkelijk kon doordringen. Als in een kerk of een bordeel.

Na mijn maaltijd slenterde ik door de kleine zalen en de geschakelde gangen, waar het Boijmans zo rijk aan is. Een werkelijk plan had ik niet, daarvoor voelde ik me te lusteloos. Het museum zelf mocht mijn route bepalen. Ondertussen trokken de oude meesters aan de wanden langzaam aan me voorbij: de Vlaamse primitieven, Rembrandt, Van Ruisdael…  Later Picasso… tot ik uiteindelijk bij de impressionisten belandde. Van Gogh. Op de een of andere manier kom ik altijd weer bij hem uit. Toch was het deze keer niet Van Gogh die mij inspireerde. De oude meesters voor hem hadden dat die ochtend al gedaan. Al een paar keer was ik dromerig voor een van de schilderijen blijven stilstaan, starend naar de afbeeldingen. Vergelijkend. Veelal waren de kunstenaars indertijd geïnspireerd geweest door verhalen.

Dat bracht mij terug bij mijn eigen roman: ‘Iva’ – op de een of andere manier kwam het mij ineens voor of het verhaal nog niet helemaal klaar was. In die zin, dat het geschrevene zich nu wilde weergeven, gestalte aannemen, voortplanten. Het verhaal moest meer tot leven komen. Eenmaal thuis, schreef ik razendsnel wat mij was ingegeven en mailde dat naar verschillende tv-programma’s en kunstacademies:

 

Geacht management,

Afgelopen weekend is mijn debuutroman ‘Iva’ uitgekomen. Deze roman verhaalt over een Haagse wetenschapper die in zijn proefschrift op zoek is naar wat kunst is. Nu schoot mij vanmorgen – al wandelend door museum Boijmans – het volgende idee te binnen:

Door de eeuwen heen zijn schilders veelal geïnspireerd geraakt door verhalen: het Christendom, de Grieks- en Romeinse mythologie, ed.. Maar verhalen kunnen vandaag de dag nog steeds als inspiratiebron voor kunstenaars dienen. En voor een schrijver, zoals ik, is het een wens om zijn verhaal tot leven te zien komen.

Zou het een interessant idee zijn (ook omdat deze roman zich er perfect voor leent) kunstenaars uit te dagen het boek te lezen en daar een kunstwerk over te maken. Het beeld, schilderij of muziekstuk mag over een scene gaan of een hoofdstuk, of het thema… Op deze manier komt niet alleen mijn werk tot leven en de kunst onder de aandacht, maar kan de kunstenaar zich laten inspireren door nieuw werk. De oproep aan de kunstenaars in Nederland kan door mijzelf worden gedaan: bijvoorbeeld op uw locatie in een youtube filmpje… diverse invullingen zijn mogelijk. Misschien vindt u het interessant hierover te brainstormen.

Ik hoop natuurlijk op uw enthousiasme,

Richard Brand

Een bizarre actie natuurlijk, dacht ik kort na het verzenden van deze brief. Maar een paar uur later ontving ik een eerste enthousiaste reactie van RTL LATE NIGHT, dat zij graag op de hoogte willen worden gehouden. Mocht het project van de grond komen, dan zouden zij daar graag over doorpraten.

Welnu kunstenaars van Nederland: u heeft een motief en een inspiratiebron. Wat hebt u meer nodig? Durf en inventiviteit. Plaats uw kunstwerk op Youtube en vermeldt uw inspiratiebron. Andere ideeën zijn uiteraard van harte welkom. Wellicht kunnen we daarna gezamenlijk ons project publiekelijk toelichten.

 

Richard Brand

 http://www.bol.com/nl/p/iva/9200000033412468/

http://www.denieuweuitgeverij.nl/index.php/iva

* AD Haagse Courant heeft inmiddels laten weten: ‘…als je actie van de grond komt en kunstenaars aan de slag gaan, dan zou ik er graag een stuk over schrijven.’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Raar

exclusion

18-9-2014

Gisteren wandelden mijn zoontje en ik door het Beatrixpark. We naderden een bankje waarop twee dames van middelbare leeftijd zaten, diep met elkaar in gesprek. Mijn zoontje wees dwingend naar het gezelschap en zei: ‘Da zitten! Mij da ook zitten!’

‘Nee, kom maar,’ gaf ik aan en probeerde hem subtiel vooruit te duwen. ‘We gaan naar de speeltuin, van de glijbaan…’ Maar hij zette zich schrap en begon dreigend te grommen. Ik kende die grom. Hij moest en zou naar dat godvergeten bankje, anders zou een storm losbarsten. Even later – na een verbeten glimlach in de richting van de druk converserende dames – zaten mijn zoontje en ik braaf naast elkaar. Hij wiebelde tevreden met zijn voetjes. Ik bestudeerde een boom aan de overkant.

De dames kwebbelden ongestoord door en hoewel ik er alles aan deed het gesprek niet te volgen, bereikte mij een veelvuldig terugkerend woord. In de fijnzinnige context van het gesprek dook regelmatig het woord ‘raar’ op. Zo van: ‘… dat is toch raar? Vind je dat niet raar? Raar hè? Ik vind dat raar! …’ Zelf leken de dames er geen erg in te hebben, onverminderd hamerden zij het r-woord over hun lippen.

Toen de ‘r’ alweer bijna in de lucht hing, voelde ik plotseling de overweldigende drang mijn handen over de oren van mijn zoontje te leggen. Om hem af te schermen. Zodat deze gesprekstof niet in zijn onbedorven hersentjes terecht zou kunnen komen, en gaan nestelen. Stel je voor dat hij al begreep waar zij over spraken, dat hij hen misschien zelfs zou gaan geloven. Alles is raar! Het zou niet de eerste keer zijn, dat een jonge en creatieve ziel met dergelijk instrumentarium in de kiem werd gesmoord. Mijn hemel! Zou hij dan later nog wel onbevreesd buiten de gebaande paden van ‘het normale’ durven te treden? En ongedwongen zijn eigen keuzes durven maken, die niet altijd nuttig voor de samenleving zijn, maar waar hij wel passie bij voelt? Zal hij niet zwichten onder het juk van de lokale moraal en terugdeinzen voor het brandmerk: je bent raar. Nee! Dit mocht niet gebeuren! Die dames van middelbare leeftijd waren natuurlijk reddeloos verloren. Daar kon ik ook niets aan veranderen. Maar mijn zoon…

Spontaan veerde ik op, nam twee ferme passen voorwaarts op het asfaltpad, liet met een vastbesloten ruk mijn broek tot aan de enkels neer. Gebukt bleef ik staan en trok met twee handen mijn billen flink ver uit elkaar. Ondersteboven, tussendoor mijn o-benen, zag ik de dames zitten. Stil nu.

‘Joehoe!’ riep ik, ‘Raar hè?’

Tenminste, die uitzinnige gedachte speelde door mijn hoofd. In werkelijkheid zat ik stoïcijns op het bankje naar mijn zoontje te staren, en zag hoe hij opkeek naar de nog altijd pratende dames. Die inmiddels hun banvloeken flink hadden uitgebreid met: ‘… vreemd toch?’ en ‘… apart hoor!’, tussendoor klonk een misprijzend ‘… mmh.’

Ik moest nu ingrijpen, het gevecht aangaan. Een vader dient zijn zoon te beschermen tegen gevaren van buitenaf. Nog even aanschouwde ik de twee dames; één van hen maakte de indruk zojuist hevig te hebben overgegeven. Dit is ons Moskou, dacht ik. Dit óns communisme!

Met twee handen pakte ik mijn tegenspartelende zoontje vast en na een ferme zwaai belandde hij op mijn schouders. Haastig gingen we richting de speeltuin. Even rende ik zelfs – onderweg mompelend, dat wij zo direct achterstevoren de glijbaan af zouden gaan. Ondersteboven gingen we schommelen. Ook Papa. Daarna beloofde ik dezelfde handstand te gaan maken die gisteravond in zijn slaapkamer zo faliekant mislukte. Helemaal niet erg. En als hij straks niet mee wilde doen in de speeltuin, maar relaxt wilde toekijken, mocht dat ook natuurlijk. Geen mens die daar raar van zou opkijken.

 

 

 

Richard Brand

Dode eend

dode eend

29-8-2014

 

Vanmorgen werd  ik gewekt door een enorme bons tegen de achtergevel. Ik schoot rechtop en stak mijn hoofd door het venster. Voor de achterdeur lag een eend, op zijn rug te spartelen. Hij leek niet meer zelfstandig overeind te kunnen komen. Met hazensprongen nam ik de trap, maar eenmaal beneden was het spartelen al gestopt. Het dier lag met zijn nek gebogen, slap in zijn laatste rust verzonken. Ik keek naar het raam, de deur: geen afdruk van een aanvlieging. Wat veertjes op de grond. Een onbegrijpelijke plaats om als eend te eindigen, op een deurmat. Misschien dat hij door de spiegeling van het glas was verblind? Maar zo laag, en in een vreemde hoek tussen de bebouwing? Een eendenkenner ben ik niet, deze eend zag er jong en gezond uit. Toch, misschien dat hij vlak vóór zijn noodlottige vlucht al iets mankeerde? Wat moest ik nu met deze dode bezoeker aan de deur? Als brandweerman draai ik hier mijn hand niet voor om. Incidenten op mijn werk behandel ik met afstandelijke koelheid, zoals de gemiddelde nederlander naar een ongeval op het journaal kijkt. Maar dit was mijn achtertuin en nu míjn dode eend. Op een vreemde manier voelde ik een soort verbintenis, verantwoordelijkheid om voor deze gevleugelde vriend zijn laatste rustplaats te verzorgen. Moest ik de gemeente bellen, of hem plechtig en heimelijk ergens gaan begraven? Voorzichtig liet ik hem in een vuilniszak glijden en heb hem voorlopig even op de oprit gelegd. Daar ligt hij nu nog steeds, in de ochtendzon, te wachten op wat de eigenaar met hem zal gaan doen.

 

 

Richard Brand

Het paradijs

img_paradijs

27-8-2014

Vandaag stond er in de Volkskrant een interessant stuk over Haat-imams, zoals minister Asscher van Integratie de haatzaaiende Imams in Nederland noemt. De Staat zal zonodig hard optreden, zegt hij. Een concreet plan volgt over twee weken.

Het komt volgens Asscher hier op neer: de samenleving moet door de Staat beschermd worden tegen radicalen. De overheid moet optreden. Imams krijgen geen visum meer als ze hier haat willen komen spreken. Nederlandse Imams die haatzaaien wil hij ‘het leven lastig maken.’ Zij zullen voortdurend hinderlijk worden gevolgd, net als notoire criminelen.

Wellicht overbodig te vermelden: De PVV wil ze oppakken, vastzetten of het land uit gooien.

 

Waar hebben we dit soort retoriek toch eerder gehoord? O ja, dat is waar ook: bij de bestrijding van pedofielen in Nederland. ‘Sluit ze op. Verbied de partij. Gooi ze de stad uit.’ Wat je niet ziet, bestaat niet. Opgelost.

Laten we even bij de radicale moslims, de fundamentalisten, blijven. Het is natuurlijk evident dat het zo niet langer kan, daarover geen discussie. Criminelen horen in de gevangenis. Maar is de aanpak van onze zelfbenoemde beschermheer, de Staat, daarmee effectief? Moeten we imams gaan najagen? Wordt het daarmee veiliger in de wereld? De afgelopen decennia is gebleken dat de Islam, ondanks de repressie van het Westen, in zijn algemeenheid enorm is gegroeid. De moslimfundamentalisten zijn ons alleen maar meer gaan haten.

Moeten we deze geëigende methode dan onwillekeurig voortzetten?

Welnu, de oplossing voor dit alsmaar aanzwellende probleem moet naar mijn idee in een geheel andere richting worden gezocht. Hoger. Bij absurde problemen passen absurde oplossingen. Wees slimmer dan je tegenstander, ga ze niet nadoen. Symptoombestrijding werkt blijkbaar niet, het probleem zal met wortel en tak moeten worden uitgeroeid: bij het paradijs. Het paradijs? Ja, inderdaad. Het klinkt irreëel en wereldvreemd, maar de fundamentalisten geloven werkelijk  – en velen met hen – dat zij na hun martelaarschap in het paradijs belanden, met zeventig maagden. Dat is het probleem. Hen op andere gedachten proberen te brengen helpt niet, bombarderen ook meestal niet, en van de westerse retoriek is allang niemand meer onder de indruk (incluis de westerling zelf). Het paradijs is te verlokkelijk. Er zal verwarring moeten worden gesticht, weifeling, onraad. Men zal het probleem vernuftiger moeten benaderen.

Maar hoe dan, in hemelsnaam?

Nou stel, het Westen, met haar overvloed aan intelligentsia, zou het eens voor elkaar krijgen om verspreid over de wereld diverse prominente, in de moslimgemeenschap gezaghebbende, figuren aan hun zijde te krijgen (desnoods door omkoping); in zo verre, dat zij zullen verkondigen de Heilige schrift al die tijd niet geheel zuiver te hebben geïnterpreteerd. Een archaïsche taalkwestie. Puur semantisch. Het paradijs blijkt toch een andere, guurdere plaats dan al die tijd werd gedacht. Bovendien (een detail) het woord ‘maagd,’ blijkt achteraf anders te moeten worden geduid; het betekent, weten zij nu met zekerheid, zoveel als ‘travestiet.’

Daar sta je dan als fundamentalist met je bomgordel, klaar om de ongelovigen der aarde een les te leren. Het martelaarschap krijgt toch ineens een heel andere lading. Zeker als het gerucht gonst, dat van een recente hemelvaart een zeer hoogstaande imam is wedergekeerd, met opvallend veel pijn in zijn achterwerk.

 

In een surrealistische wereld kan men niet ongestoord realistisch blijven. Repressie werkt averechts. Leve de revisie van het paradijs!  

 

 

 

Richard Brand

          

 

Terreur

Larus_portrait

 

20-8-2014

Momenteel draai ik op-af brandweerdiensten: 24 uur op – 24 uur af – 24 uur op – 24 uur af… Als je ergens kierewiet van wordt is het wel daarvan. Ergens heb ik eens een artikel gelezen waarin stond, dat als je nachtrust te vaak onderbroken wordt, je de volgende dag niet meer zuiver kunt nadenken. Dat is nog zachtjes uitgedrukt. Langzaamaan verandert de wereld om je heen in een stomme film, waar je de logica – als die er al was – niet meer van kunt volgen. In feite verkeer je in een continue jetlag.

Zo zag ik net op het journaal voorbijkomen dat de kustplaatsen worden geteisterd door meeuwenterreur. Meeuwenterreur! De meeuw als terrorist? Het wemelt natuurlijk de laatste jaren van de terroristen, je wordt ermee doodgegooid (toevallige woordspeling). Vijanden bestempelen elkaar gretig met het aanslag-etiket. De taal dient als een effectief wapen, of rechtvaardiging van de geplande eigen agressie. Zelfs binnen het huwelijk terroriseert men elkaar. Straatschoffies veranderen onder politieke retoriek spontaan in straatterroristen. De terrorist duikt overal op. Maar dat de lachende meeuw nu zelfs deze dubieuze status wordt aangemeten, wees eerlijk, hadden toch weinigen verwacht. De meeuwen zelf in de laatste plaats. Maar waar gaat dit eindigen? De muizen terroriseren onze huizen? In de tuin is een terroristenplaag van mieren uitgebroken? Partners terroriseren elkaar onder de lakens? 

De burgers en de centralisten van de alarmcentrale terroriseren mijn nachtrust.

Om verwarring te voorkomen, en zelf niet straks ineens als terrorist te worden aangemerkt, is het misschien beter dit woord finaal te schrappen en gewoon te zeggen wat we bedoelen. Zoals bijvoorbeeld: die mannen schieten raketten op ons, dus wij schieten terug. Of, die jongeren vallen ons lastig op straat en dat pikken we niet. Een andere mogelijkheid: dat volk wil ons een andere cultuur opdringen en daar zullen wij ons hevig tegen verzetten. Zoiets.

Enfin, je ziet wat een onregelmatig rooster met het denkvermogen kan doen. En dan moet de nacht nog beginnen.

 

Voor straks welterusten, en vergeet de kaarsjes niet uit te blazen.

 

Richard Brand  

PS Van Dale:  ter·reur (de; v(m)) 1georganiseerd politiek geweld

 

Onderweg

2ce292r

10-8-2014

Vorige week reden mijn vrouw en ik in een gehuurde Renault Clio van Valencia naar Granada, een tocht van zo’n vijfhonderd kilometer. Ik ben geen langeafstand rijder. Na elke flauwe slingerbocht leken de bergen meer en meer uit te groeien tot volwassen monsters, op ons neerkijkend, versteend in de tijd. Terwijl mijn vrouw zat te prutsen aan de routeplanner en de radio, maakte ik mij onbewust een voorstelling van Granada; een ruw Andalusisch gebergte verscheen op mijn netvlies, diepe ravijnen. Ik stond plots aan de rand van een gapend ravijn, en keek om me heen. Boven mij een vaalblauwe hemel, de zon schitterde, een arend maakte langzaam achtjes. Onder mijn voeten weerkaatste het oranje kalkzand de zinderende hitte. Het bijzondere was – doch dat verbaasde mij nog het minst  – dat Poetin daar ook stond. Vlak naast me. In een zwart maatpak en een wit geperst overhemd. Met zijn bekende verstarde blik tuurde hij over het ravijn, als een veldmaarschalk die vanuit de heuvels zijn troepen overziet. Ik greep mijn kans: ‘Hé Poetin,’ zei ik op denigrerende toon, ‘nu ik je toch hier tref, zou je niet eens willen opdonderen uit de Oekraïne. Is Rusland soms niet groot genoeg voor je?’ Maar hij verblikte of verbloosde niet, hooguit dat de frons in zijn voorhoofd nog iets scherper introk. Zijn half gekromde armen hingen krampachtig naast zijn lijf. ‘Maar dat maatpak, ’zei ik dan maar, om het ijs te breken, ‘staat je niet slecht.’

Zijn ogen knipperden licht, maar hij bleef voor zich uit turen. ‘En je overhemd,’ ging ik voort, ‘ is dat een Gentiluomo?’ Op de achtergrond begon zacht muziek te klinken, George Michael: I want your sex!’

De ogen van de Russische leider bewogen onrustig heen en weer, tot ze inzonken en in een ander licht weer opdoken: ‘Ja, leuk hé,’ riep hij met een uithaal. ‘Ik heb hem in verschillende kleuren hóór, hij strekte vervolgens zijn armen opzij, om zijn kleding in alle volledigheid te tonen. George Michael had zich inmiddels aangesloten, hij zong en danste met de bandleden van Village People in zijn gevolg. Poetin rukte spontaan zijn pak in tweeën, eronder verscheen een balletpak, een rosé, waarin zijn geslacht verbazingwekkend goed was gecamoufleerd. Hij draaide een pirouette, de armen in een sierlijke boog boven het hoofd gehouden. Op dat moment, met ferme stappen, kwam een bebaarde man uit de hitte tevoorschijn, hij droeg een djellaba en een tarboush. Hij schopte zijn sandalen uit en dook zonder iets te zeggen met een boog naar het zand. Met grote zwiepen van zijn djellaba begon hij te straatdansen. We moesten ruimte maken anders werden we geraakt. Daarachter, vanuit de stofwolk, in een koprol, doemde Xi Jinping op. De Chinese leider grijnsde breed en stak zijn ledematen onmiddellijk in de electric boogie-houding. Aanmoedigend klapten we gezamenlijk op de maat van de muziek, en zongen luid: ‘Have sex with me!’ Poetin werd gesandwiched door de twee anderen, hij giechelde en riep dat ze dat niet moesten doen. Daarna dansten ze in karavaan bij me vandaan, recht op het ravijn af. Eerst, met een flik-flak, verdween de Arabier over de rand van de afgrond; Xi volgde in een opspringende spagaat. Daarna Poetin, ondeugend draaide hij zijn heupen, blies me een handkus toe en maakte een elegant balletsprongetje. Als laatste rende de achtergebleven Indiaan van Village People oeleboelend over de rand. Toen stilte. Gonzend. De arend draaide ongestoord achtjes, alsof er ver beneden niets opvallends te zien was geweest. Was er wel iets gebeurd? Zoiets raars, dit kon toch niet? Maar in de diepte echode de laatste resten van het gejoel en gelach. Ik liep naar voren en keek in het peilloze ravijn, verloor zowat mijn evenwicht. ‘Keer nu om!’ klonk hoog uit lucht. ‘Keer om!’

Verschrikt zocht ik om mij heen. Naast me zat mijn vrouw, met opgetrokken wenkbrauwen. Ze zei: ‘Je hebt de afslag naar Granada gemist, sufferd. Ik zet even iets anders op, die George Michael ben ik nu wel zat.’

 

 

Richard Brand

 

 

Nationale rouw

214129

28-7-2014

‘Nationale rouw’ is wel de meest gebezigde term sinds de vliegramp van Malaysia Airlines, bedenk ik mij spittend door de kranten, die na een weekje vakantie achter mijn brievenbus liggen opgestapeld. Nationale rouw overrompelt mij ongeveer op dezelfde manier als ‘collectief geheugen’. Je wordt opgeslokt door een beestachtige muil, geen ontkomen aan. De boodschap in de kranten is duidelijk: rouw kent landsgrenzen en paspoorten. Als Nederlander dien je je verdrietiger te uiten over een omgekomen landgenoot die je niet kent, dan over een buitenlander. Nationale rouw. Hoe moeten we ons eigenlijk opstellen ten opzichte van de Nederlandse passagiers met twee paspoorten, of die al jarenlang in het buitenland wonen? En mogen in Nederland alle bewoners deelnemen aan de Nationale rouw, of alleen die met een geldig paspoort? Ikzelf verkies toch liever Internationale- of mondiale rouw. Of gewoon: rouw.

Ik lees dat Poetin, vlak na de ramp, waarschuwt voor overhaaste conclusies. Ook staat afgedrukt dat de Russische wapenleveranties aan de separatisten onverminderd doorgaan. Camiel Eurlings, president-directeur van de KLM, waarschuwt ook voor overhaaste conclusies, maar dan ten opzichte van de KLM. Hoewel veel andere maatschappijen het luchtruim boven Oost-Oekraïne onveilig hadden verklaard, deed de KLM dat niet. Boven de tien kilometer was het veilig volgens Eurlings. (Zouden de BUK-raketten daar plots omkeren?) Als een van de weinigen wist de president-directeur van de KLM blijkbaar niet dat de Russische separatisten een bloedhekel hebben aan westerlingen en dat zij een BUK-raketinstallatie hadden bemachtigd.

In de krant van een dag later staat dat de wapenexport van de Europese landen naar Rusland gewoon doorgaat. De economie mag niet lijden onder de nationale rouw. Maar er wordt nu wel voor een andere vliegroute gekozen. Want economisch gewin mag, ook volgens Eurlings, geen enkele rol spelen als het gaat om de veiligheid van burgers.

Ondertussen gaat het getouwtrek om de Oekraïne onverminderd door. De jarenlange propaganda werpt in Rusland rijkelijk vruchten af. Zelfs de Russische kinderen weten dat ze in oorlog zijn met het kwade Westen. Poetin geeft niet op, misschien nooit. De Oekraïne behoorde immers, met de Russische zetbaas Vitor Janoekovitsj aan het bewind, altijd al officieus tot Rusland. Zoals de maffia een restaurant afperst, zo zoog Janoekovitsj de Oekraïense miljarden op. De russen proberen met man en macht te behouden wat volgens henzelf al van hen was. De Krim terug veroveren ging verbazingwekkend makkelijk. Als het oosten van Oekraïne blijft behouden, zullen ze ongetwijfeld aan het overige deel gaan knabbelen. Daarna aan andere staten waar veel russen wonen. In Rusland prevaleren niet alleen economisch belangen, zoals in ons liberale Westen, ook eer en natie spelen daar een heersende rol. ‘Nationale rouw’ zou een overgewaaide Russische gewoonte kunnen zijn.

Nadat een week aan kranten nu in de papierbak is gepropt, staat me nog een vakantiebestemming in het buitenland te wachten. Uiteraard ben ik benieuwd wat er straks bij thuiskomst weer op de deurmat ligt te wachten. Ik hoop iets vredigs.

 

 

Richard Brand

 

Utopia

Utopia-in-four-movements-1

 

17-07-2014

Vanmorgen stapte ik in mijn fietspakje vrolijk de kazerne binnen, collega’s zaten al rond de koffietafel. Maar voordat ik ‘Goedemorgen’ kon uitkramen, kreeg ik al te horen dat ik weer mocht vertrekken. Op een andere kazerne had iemand zich ziek gemeld, daar hadden ze nu een man te kort. Of ik wel wilde opschieten: ze zaten met smart op me te wachten. Ik belde een taxi en nestelde me met mijn plunjebaal op de stoep in het ochtendzonnetje voor de deur. Mijn fiets zou later op de dag met intern vervoer wel worden opgehaald.

Tien minuten later dan verwacht stopte er een oude, viezige Mercedes op het voorterrein. Het zijraampje gleed open. Een mager, wit gelaat vroeg of ik misschien een taxi had gebeld. Ik knikte en pakte mijn plunjebaal op. De chauffeur sjokte naar de kofferbak, ik schatte hem een jaar of twintig, tweeëntwintig. Ik kan het niet goed uitleggen, misschien waren het zijn vlassige bakkenbaarden of die melancholische glans in zijn ogen, maar even dacht ik dat ik met een terrorist te maken had. ‘Je weet waar het is?’ controleerde ik, terwijl ik mijn plunjebaal in de rommelige kofferbak frommelde. Het adres had ik immers door de telefoon doorgegeven. Als hij dat niet wist, was hij misschien helemaal niet van het taxibedrijf, maar zo maar ergens gestopt om iemand te vermoorden. Wellicht een onschuldige brandweerman.

‘Kazerne Pijnacker toch?’ vroeg hij enigszins verbaasd.

De eerste minuten onderweg spraken we niet veel, alleen het hoognodige, de binnenkant van de auto was nog smoezeliger dan de buitenkant. Het stonk. ‘Ben je zelfstandig ondernemer?’ informeerde ik. Geeuwend antwoordde de chauffeur dat hij in loondienst was en dat hij vanaf de vorige avond al achter het stuur zat. Ze bleven hem maar doorsturen, maar dat vond hij op zich niet erg.

We raakten aan de praat. Hij bleek van Turkse afkomst maar geboren en getogen in Den Haag. Zijn vader was op achttien jarige leeftijd naar Nederland gekomen en had veertig jaar als schoonmaker gewerkt. Nu was hij sinds een jaar werkeloos. Om voor een bepaalde ingewikkelde financiële regeling in aanmerking te komen kwam zijn vader helaas net een maand te kort. Eerdaags zou hij teruggaan naar Turkije. ‘Als hij in Turkije is, wordt hij helemaal rustig,’ zei de chauffeur. ‘Hier is hij gestrest.’ Ik vroeg hoe dat eigenlijk kwam. ‘Dat is toch niet gek,’ zei hij mij aankijkend, ‘met elke dag al die post hier.’

Misschien is het daarom dat we ons zo gejaagd voelen: vanwege de post.

Toch kwam het onderwerp me niet vreemd voor; veel mensen proberen de hedendaagse wereld te ontvluchten. Zelf droom ik al jaren van een huis in Zuid-Spanje, mijn vrouw van een Drentse boerderij. Anderen zoeken hun Utopia in een verleden met Sint en Piet. Weer anderen in een wereldreis, een vijand, een dikke portemonnee. Of in de anus van hun partner. Ook het hiernamaals is nog altijd in trek. Meestal ligt Utopia een eindje verderop, net om het hoekje. Buiten handbereik. Zodra je er bijna bent verplaatst het zich subtiel, tot je er ongemerkt weer ver van verwijderd bent en er alleen nog maar van kan dromen. Utopia is het halfbroertje van God.

‘Ik ga ook terug naar Turkije,’ zei de chauffeur. Hij begon nu zo intens te geeuwen dat ik dacht dat hij ter plekke in slaap zou vallen. ‘Hoe bedoel je terug,’ vroeg ik verbaasd, ‘je bent hier geboren?’

‘Ik ben geen originele Nederlander en ook geen Turk, maar mijn wortels liggen daar in Turkije. Mijn bloed is Turks. Wat is jouw bloed?’ vroeg hij.

‘Rood,’ zei ik, na enige aarzelingen.

Even staarde hij wezenloos naar zijn voorruit, er zaten veel vliegjes op. Toen begon hij plots heel hard te lachen. Niet veel later heeft hij me afgezet aan de kazerne Pijnacker. Hij wenste me een fijne werkdag en ik hem welterusten.

 

 

Richard Brand

 

 

 

Zondagochtend

koeien-in-de-ochtend-dauw-71341

 

13-7-2014

 

Vanmorgen in alle vroegte fietste ik over het asfaltpad langs de Schie naar Delft. Het was bewolkt en aangenaam zacht. Windstil. De koeien in de wei leken geschilderd in een reeds vergane tijd, de boerderijen in diepe onaantastbare rust. Toen ik moest remmen voor een drempel maakte een reiger zich met forse vleugelslagen los uit de graskant. Ik moest rechtsaf door de woonwijk Ypenburg. Huizen als blokkendozen daar. Ergens kon ik me voorstellen dat sommige mensen totaal gek worden en doordraaien, wonend als legbatterijen. Maar misschien zijn die mensen wel gelukkig, dat valt aan de buitenkant niet af te lezen. Filmsterren in riante villa’s, die alles maar hebben, verhangen zich ook.

Een enorme groep Nijlganzen bevolkte plots het brede fietspad voor me, zigzaggend ontweek ik de langgerekte autoritaire ganzennekken. Ze mopperden achter me, alsof ik op dit tijdstip daar nog helemaal niet komen mocht. Natuurlijk zijn zij juist gebaat bij een rustige, cultuurloze plaats.

Eenmaal op de kazerne dronk ik een kop koffie – de wisseling van de wacht. Diverse onderwerpen passeerden de revue: het WK, de aankomende vakanties, iemand zei dat hij gisteravond lekker geneukt had. Een praatje om een praatje zeg maar. Naast me kwam kreunend een collega overeind. ‘Zo, ik ga rijden naar Zuid-Duitsland. Tot over drie weken dan maar.’ En hij verdween door het gat van de deur.

Nadat ik had gedoucht, zapte ik op mijn kamer langs de tv-kanalen. Zondagochtend, nog drieëntwintig uur te gaan. Een vrouw vertelde vol passie over het jagen op wild; hazen, konijnen, en een ree had ze al eens geschoten. Toen de interviewer haar verontwaardigd vroeg of ze dat niet meedogenloos vond – hij was zelf vegetariër – zei ze dat ze het eten uit de supermarkten veel meedogenlozer vond. Jagen was eerlijker. Al pratend trok ze de veren uit een dode, slappe eend. Op Nederland-2 volgde nog een interview met Jan Siebelink. Geanimeerd vertelde de schrijver dat zijn gelovige vader tijdens diens leven hoopte op onvergankelijkheid, en dat hijzelf op zijn eigen seculiere manier dat nu ook hoopte. Hij wilde niet dood. Maar ja, dacht ik weer weg-zappend, het eeuwige leven gun je toch ook jezelf niet?

Nu klinkt er door de omroepinstallatie dat we boodschappen gaan doen met de Tankautospuit. Er moet uiteraard eten worden gehaald. Het lijkt een onbekommerde zondag te worden. Tenminste, dat weet je nooit helemaal zeker, met een pager op zak.

 

 

Richard Brand

 

 

 

De Pianistatrail

trail-boquete-panama-620x350

 

2-7-2014

De Pianistatrail, zo wordt de wandelroute in de jungle van Panama genoemd, die de vriendinnen Kris Kremers (22) en Lisanne Froon (21) op 1 april dit jaar besluiten te nemen, nadat ze te horen krijgen dat hun geplande vrijwilligerswerk op een crèche aldaar is uitgesteld. A pleasant day hike, volgens de Lonely Planet. Een taxichauffeur rijdt hen even voor half twee naar het begin van de El Pianista. Voordat ze om 13.40 uitstappen vragen ze de chauffeur nog waar de wandelroute precies begint. Ze betalen hem vijf dollar voor de rit. Daarna verdwijnen zij voorgoed.

Het doet me op een bepaalde manier terugdenken aan Thailand: Khao Sok, 2001. Een backpackersvakantie met een kameraad. We maken een jungletocht. Ook een stel Duitsers sluiten aan. In de tropische hitte volgen we de blote voeten van de Thaise gids, die zichzelf Tijgerman noemt, omdat hij een keer een tijger tegenkwam. Klauterend over de glibberige paadjes, rotsen… trekken we door de wildernis. Hier en daar zien we wat hopen olifantenstront op de grond liggen. Cicaden zoemen onafgebroken door het massale groen. Het is zweten geblazen. Als je snel genoeg loopt, gebaart de gids, kunnen de bloedzuigers niet langs je schenen omhoog kruipen. Maar het lukt ze evenwel. Onderweg stuiten we op een brede, snelstromende rivier, door de regenval blijkt die een stuk dieper dan normaal. Hand in hand steken we over. Door de sterke stroming valt het behoorlijk tegen. Een niet al te lange Duitser weet, met zijn camera bengelend boven zijn hoofd, ternauwernood de overkant te bereiken. Dan komen we aan op het verste punt: een grot waar we in zullen afdalen. De gids twijfelt: we hebben er wel voor betaald, maar het water staat hoog en zou ons kunnen insluiten. Zonder de grot te betreden maken we rechtsomkeer. Een paar jaar later doen mijn broers en ik dezelfde grottocht alsnog – tot ons middel moeten door het water waden. En in 2007 neemt een gids (misschien Tijgerman) een gelijksoortige beslissing: een hele groep toeristen verdrinkt in de grot: http://www.nu.nl/algemeen/1272714/toeristen-verdronken-in-thaise-grot-video.html.

Kris Kremers en Lisanne Froon stonden volgens de berichten niet bekend als roekeloos. De Lonely Planet is volgens de lokale gids, Felix Matias, (Volkskrant 28/6) geen geschikte reisgids voor Panama. ‘Het lijkt of ze hier nooit geweest zijn, de informatie klopt niet.’

De meiden stappen om ongeveer om half twee uit de taxi. Het zou dus geen al te lange tocht worden, hooguit een paar uur. Het vrouwelijk geslacht kennende hebben ze al over het avondeten nagedacht. Eerst beklimmen ze een modderig, onduidelijk pad tot een viewpoint. Dat doen, volgens gids Feliciano, veel backpackers. Eenmaal aan de top genieten zij ongetwijfeld even van het uitzicht over het woud. De Pianistatrail kreeg zijn naam, zo gaat het verhaal, door een mythe over een kluizenaar op de berg die continue piano speelde, maar opeens verdween. Anderen menen dat de naam komt van de fluitende vogels. Onbewust stonden Kris en Lisanne daar voor de beslissing van hun leven: dezelfde weg terug, of aan de andere kant van de berg er weer af? Links of rechts. Wie heeft niet talloze keren voor een dergelijke beslissing gestaan? Het moet een niet al te zwaarwegend besluit zijn geweest, anders waren zij vast teruggegaan. Gids Feliciano gelooft dat ze zijn doorgelopen tot ze de rivier de Culebra bereikten; een tocht van ongeveer anderhalve dag. Daar hangen twee kabels over het water. Mogelijk probeerden zij over te steken, maar dat is heel lastig: de kabels hangen los en zwiepen heel erg. De schoenen, de tas en hun overblijfselen zijn tweeënhalve maand later stroomafwaarts gevonden.

Mogelijk zijn Kris en Lisanne verdwaald, of heeft er toch een misdrijf plaatsgevonden? De bergen kennen geen genade, ‘el horror nuctorno’, is wat ze in Panama zeggen. Zelf ben ik geneigd te denken dat de Lonely Planet, uit achteloosheid wellicht, evenmin genade kent.

 

 

Richard Brand

 

 

 

Vrijdagmiddag: geimplodeerde tankwagen salpeterzuur

27-6-2014

Moet een vreemd gezicht zijn geweest voor die chauffeur: de tank van zijn vrachtwagen als een propje papier ineen te zien krimpen tijdens het lossen. Vergeten de ontluchtingskraan open te draaien? Gelukkig barstte de tank niet. Salpeterzuur is geen fris goedje. De gaspakdragers van de brandweer hoefden niet te worden ingezet. Alleen de kraan opendraaien en plannen maken voor als het onverhoopt toch zou misgaan. Zes ton salpeterzuur kon vrijkomen. Mijn eerste inzet als OGS-leider is nu een feit. Donald Duck is everywhere.

http://www.regio15.nl/actueel/lijst-weergave/30-ogs/20293-forse-brandweer-dsm-delft

Prettig weekend Delft!

 

Richard

 

 

 

 

17 juni

_MG_7629_bokito

20-06-2014

Dinsdag 17 juni ben ik in de ochtend met mijn zoontje naar de diergaarde gegaan. Op de fiets. Zijn tweede verjaardag en tevens de geboortedag van mijn vader. Midas Dekkers legde eens uit dat de kans dat je überhaupt geboren wordt eigenlijk nihil is. Daarbij vergeleken was de kans dat mijn zoontje op de verjaardag van mijn vader geboren zou worden tamelijk groot. De mogelijkheid dat hij op een van de andere 364 dagen geboren zou worden, is in dat opzicht te verwaarlozen.

We nemen de oude ingang aan de achterzijde. De mooie ingang. Dat is mijn keus. Achter de sierlijke hekken ligt het pittoreske plein tussen het flamingo-, het leeuwen- en het apenverblijf in. Het ademt nostalgie. Hier liggen de voetsporen van mijn ouders wandelend met hun tweejarige zoontje. Nu rent mijn dondersteen recht op de loungebanken af, tegenover de poffertjeskraam. Hij klautert op een groot kussen en gaat keurig klaarzitten. Als papa nu nog niet begrijpt wat hem te doen staat, is er iets helemaal mis.

Nadat we de poffertjes samen hebben opgepeuzeld, wordt het tijd naar de leeuwen te gaan. Mijn nageslacht kan perfect een leeuw nabootsen. ‘Wrrouuuuwww!’ brult hij bij het zien van de leeuwen. Hij kijkt er boos bij. Maar na een minuutje is het wel weer welletjes. Volgens meneer moeten we snel door naar de apen. Ik volg hem op mijn gemak, zijn potige stapjes. Hij wijst de weg. Hoe cool is het, bedenk ik me, op een doordeweekse dag samen met je zoontje door de dierentuin te banjeren.

Niet geheel onverwachts slaat hij linksaf. De speeltuin. De kindergeluiden kan hij niet weerstaan. Als een speurhond laveert hij tussen de speelwerktuigen, op zoek naar wat hij precies wil. Zijn keus valt schijnbaar willekeurig op de glijbaan, die de vorm heeft van een giraffe. Even later voegt ook mama zich bij ons, ze whatsappte al eerder en is uit haar werk naar ons toe gekomen. Ik maak een paar foto’s van die twee, bij de Giraffeglijbaan. In een merkwaardig moment zie ik voor me hoe mijn zoon, over vierenveertig jaar, deze foto’s bekijkt.

De apen. We hebben geluk: Bokito wordt juist gevoederd. Een verzorger slingert met lange uithalen stukken fruit over de greppel in het buitenverblijf. Hij leunt statig op zijn vuisten, de zilverrug, en pakt zo af en toe een stuk fruit van de grond, dat hij, al spiedend met zijn alerte bruine ogen, tussen zijn kaken vermaalt. Elke keer als ik hem zie moet ik denken aan die ene keer dat hij ontsnapte. Voorjaar, 2007. Een vrouw uit Zoetermeer bezocht hem vier dagen per week. De mensaap vond haar aardig; dat was een ding wat zij wel zeker wist. Ze bleef hem aanstaren. En als zij haar hand op het glas legde, deed hij dat ook. Tot Bokito ineens een aanloop nam en over de greppel sprong. De vrouw bleef achter met diverse breuken, een verbrijzelde hand en meer dan honderd beten. Daarna is hij nog even het restaurant binnengelopen. Goh, wat had ik daar (van een afstandje) graag getuige van geweest. Het spektakel!

 ‘Hoe oud is Bokito?’ besluit ik aan de verzorger te vragen, die onvermoeibaar de stukken fruit over de greppel heen slingert.

‘Achttien jaar,’ antwoordt hij zuchtend, ‘ze kunnen tussen de veertig en vijftig jaar worden…’

Ik knik. Kijk naar mijn vrouw. ‘Dan is hij in mensenjaren een jaar of veertig,’ zeg ik, ‘ongeveer jouw leeftijd.’  ‘Is het niks voor jou, die aap?’ Ik knipoog naar haar. En zie dat Bokito ons heeft gesignaleerd. Hij stopt even met kauwen.

Mijn vrouw staat gebukt aan het hekje, te leunen, te staren. ‘Ja,’ geeft ze toe, ‘ik val wel op zulke types.’ 

 

 

 

Richard Brand        

 

 

Jan Brokken

Jan-Brokken-608x338

 

14-05-2014

Donderdagavond was ik op het verjaardagsfeest van schrijver Jan Brokken in cultuurcentrum De Rode Hoed aan de Keizersgracht te Amsterdam. De zaal – rondom antieke zuilen, galerijen en een houten kerkorgel hangend tegen de achterwand (het voelde als een klein Carré) – was goed gevuld en ik had een stoel bemachtigt aan het looppad met vrij uitzicht op de bühne. Daar stonden twee koloniale stoelen al klaar. Ook een enorme harp en een pianovleugel stonden te wachten om in gebruik te worden genomen. In het publiek om mij heen wemelde het van de bekende gezichten, veel uit de literaire wereld natuurlijk. Er heerste een ontspannen sfeer: Amsterdam grachtengordels, zoiets, als in een gemoedelijke Nederlandse speelfilm. Bram Peper zag ik zitten op de tweede rij. Het kon niet missen. Hij zat om zich heen te kijken alsof hij per ongeluk in de verkeerde zaal was terechtgekomen en zich nu afvroeg hoe hij hier weer weg moest. Allemachtig wat is die man dik geworden, explosief! Even later kwam Jan Brokken aanlopen, door het looppad, een grijs pak. Hij ontving een spontaan applaus. En nam plaats op de laatste lege stoel, vlak voor Bram Peper.

Frénk van der Linden was de presentator en stelde eerst een paar korte vragen aan Brokken, daarna zou de 65-jarige ongestoord mogen gaan genieten van de avond. Na een paar anekdotes door vrienden en een uitvoering op de harp, stapte Freek de Jonge het toneel op. Freek kroop achter de piano, raakte even kort in gevecht met de vleugelklep en de microfoonstandaard, en zong een lied over zijn jeugd. Net als Brokken is Freek een domineeszoon en zoals altijd wist hij een goed beeld te schetsen van de situatie. Er volgde een verhaal waarmee de routineuze cabaretier trefzeker de lachzenuwen in de zaal wist te raken. Ik betrapte mezelf op een uitbundige schaterlach die luid boven de andere gasten uitsteeg. In zijn opvoering sloeg Freek de microfoon zo hard op zijn eigen voorhoofd dat er een bloedrode stip verscheen. Even vreesde ik dat hij hevig zou gaan bloeden. Maar dat gebeurde gelukkig niet.

In de interviews die volgde met oud collegae kwam Brokkens tijd als journalist aan de orde. ‘Intimiderend goed’ waren zijn artikelen destijds geschreven, verklaarden zij. Een mooie uitdrukking. Zelf heb ik maar één boek van Brokken gelezen, pas geleden nog: De wil en de weg. Dat is geen roman maar een boek over het schrijfproces zelf. Degene die na het lezen van dat boek nog beweert dat er over literatuur niets valt te zeggen, is of stinkend jaloers, niet voor reden vatbaar, of heeft een dermate nihilistische opvatting over literatuur dat voortaan niet meer van literatuur gesproken kan worden. In dat geval heeft diegene gelijk. Ook ik voelde mij lichtelijk geïntimideerd bij het lezen van De wil en de weg. Als je zo goed dingen onder woorden kunt brengen…? Reden genoeg om eens een roman van deze befaamde auteur te gaan lezen.

De vraag waarom Brokken nooit een grote literaire prijs had gewonnen, werd die avond vanuit verschillende invalshoeken beantwoord. Eerst maakte een literatuurdeskundige een parallel met de negentiende-eeuwse schilder Cézanne. Genialiteit bestond in twee vormen: een jongeling die meteen een meesterwerk schildert (en van wie je daarna misschien nooit meer wat hoort), of iemand als Cézanne die zich langzaam ontwikkelde en steeds weer een andersoortig, beter werk produceerde. Met zijn allen waren wij te veel gefocust op hét aangeboren talent. Brokken was meer iemand als Cézanne. Op dat specifieke moment begon ik mijzelf ook een beetje als Cézanne te voelen, en een beetje Brokken. Een andere verklaring voor zijn prijzenloosheid was het nieuwe genre dat Brokken had ontwikkeld; een genre tussen fictie en non-fictie in. Literaire non-fictie. De jury was met de huidige criteria nog niet helemaal klaar voor zulk werk. In andere landen waren ze daarmee al een stuk verder. Geert Mak, ook een Domineeszoon (even vreesde ik dat ik op een bijeenkomst voor uitsluitend domineeszonen terecht was gekomen) vond het ‘eigenlijk gewoon allemaal heel raar’, dat Brokken met zo’n oeuvre nog geen literaire prijs had binnengesleept. De auteur zelf zweeg wijselijk over dit onderwerp.

Tijdens deze gesprekken werden op een scherm foto’s van Brokkens vele reizen getoond, ook werd er verbinding gemaakt met Lieve Joris in Afrika. En op de piano en viool speelden men liederen waar de schrijver van hield, die aan zijn werk lieerde. Over het onderwerp Wahrheid und Verdichtung, vertelde Brokken zelf, had hij ooit een goede tip gekregen van Ischa Meijer. Die zei hem eens dat hij een bepaald interview van hem nogal saai vond. ‘Je mag er best wat bij verzinnen’, had Meyer gezegd. Dat advies had hij ter harte genomen. Later bleek inderdaad dat de geïnterviewden juist het meest trots waren geweest op de woorden die zij niet hadden uitgesproken.

De avond in de Rode Hoed voelde aan als een warm bad cultuur, zo zou ik het willen typeren. Een onderdompeling. Je kunt in verschillende baden belanden: baden van gezelligheid, van rumoer, frustratie, geilheid, een warm bad van rancune kan ook. Het leven is een groot Thermen van continue wisselbaden. Hier, in het hartje van de Amsterdam, was apert een bad van cultuur.

Langs de Amsterdamse grachten ben ik op mijn gemak naar het station teruggelopen. Over de glanzende keien. Donderdagavond, het was betrekkelijk rustig op straat. De monumentale panden reikten tot aan de donkerende hemel. Een jong stel zat te vrijen op de rand van de kade. In een souterrain zag ik een oude man gekromd achter een typemachine zitten. Eens zien, dacht ik in de trein naar Schiedam, door welk boek van Jan Brokken ik mij zou laten intimideren.

 

 

Richard Brand     

Hoe een mijmering New York bereikt

krabbels-elvis-presley-362088
9-06-2014
Mijn vorige blog gaat in op een artikel over de gezondheid van Elvis Presley in de Sir Edmund. Niet Elvis’ pillengebruik, maar obstipatie zou de oorzaak zijn van zijn vroegtijdige dood. In mijn mailbox vond ik zojuist de reactie van de journaliste, Steffie Kouters, die aldaar het interview deed.
————————————————————————
Geachte heer Brand,
Ook ik was stomverbaasd toen ik las dat mijn grote held Elvis (mijn vorige hond was naar hem vernoemd) zou zijn overleden aan verstopping. Dat was een van de redenen om vooral daarop door te gaan, in het interview met Mary Roach.
Maar gelukkig komt in het gesprek ook aan de orde wat voor een goeie inborst hij had, en hoe gul Elvis was: wie geeft nu een hamburger-ring van diamant cadeau?
Het is een schrale troost voor ons, maar toch: Elvis blijkt te zijn gestorven aan iets waaraan hij helemaal niets kon doen, in tegenstelling tot het slikken van te veel pillen – de dood door een overdosis.
Priscilla heeft overigens nooit met de dokter willen praten over de obstipatie van Elvis, toen hij werkte aan zijn boek. Dat siert haar, vind ik.
Hartelijke groet vanuit New York,
Steffie Kouters

Elvis

krabbels-elvis-presley-362088

5-6-2014

Toch maar even terugblikken op het interview dat ik afgelopen zaterdag las in de Sir Edmund door ene Steffie Kouters met de Amerikaanse wetenschapsauteur Mary Roach, over haar laatste boek, waarin zij de vraag opwerpt of Elvis Presley overleden is aan obstipatie. Ik gleed van mijn stoel toen ik het las. Mijn jeugdheld. Het zal toch niet waar zijn. Obstipatie?

Nooit had ik zoiets moois gezien en gehoord op mijn dertiende levensjaar. Elvis Presley op de cover van een LP-hoes. Op mijn jongenskamer. Tering wat was dit perfect. En die stem! Jarenlang verzamelde ik van alles: lp’s, artikelen, documentaires. Elke afbeelding van Hem was even bewonderenswaardig. Deze man was de personificatie van rock and roll. En dat vind eigenlijk nog steeds. Toch, die wetenschapper zit te wroeten in mijn jeugdgeschiedenis. Mijn icoon raakt aangetast. Nostalgie verandert langzaamaan in poep. Kan ik nog wel met dezelfde weemoed terugdenken aan mijn jeugdheld. Heb ik niet voor niets staan meezingen voor de spiegel in mijn haarborstel. Het lijkt of ik nu pas voel wat die gelovigen al die tijd moesten voelen, toen hun heilige geest door de mangel werd gehaald.

Die wetenschapper beweert dus dat Elvis zijn hele leven lang last heeft gehad van meedogenloze obstipatie. Zelfs zo erg dat zijn moeder, Gladys, hem vroeger ‘handmatig had moeten ledigen’. Zijn dokter, Nichopaulos, bevestigde de ernstige verstoppingen. Uit autopsie bleek dat hij een megacolon had, een dikke darm die twee tot drie keer zo groot was als normaal. Die avond had the King waarschijnlijk te hard geperst; de hartritmestoornissen die dan ontstaan kunnen dodelijk zijn. Elvis had een zwak hart volgens zijn arts: ‘constipatie lijkt de meest aannemelijk verklaring’.  

Pff, dit wordt even lastig. Hoe moet ik het heroïsche beeld uit mijn jeugd overeind zien te houden? Alle herinneringen lijken subtiel van waarde te veranderen: het sensuele gekreun in zijn liefdesliedjes, de licht gespannen blik in zijn ogen… Bewoog hij nou werkelijk alleen als een pelvis om de harten van de meisjes te veroveren, of schudde hij meteen het een en ander los?  In het interview staat dat zijn dokter hem grote hoeveelheden laxeermiddelen voorschreef. En dat hij tijdens optredens soms iets voelde ontsnappen en zich dan als een speer moest gaan omkleden. Wij maar denken dat het allemaal bij de show hoorde. Al die kleedpartijen. Het enorme gezweet. Trouwens, hij droeg van die kostuums-uit-een-stuk. Dat zal nog een heel gedoe geweest zijn daar achter de bühne.

Enfin, ik probeer mij vast te klampen aan het beeld van mijn held: een arme jongen uit Memphis die de wereld veroverde… nog kan ik dagdromen bij dat idee. Daar verandert feitelijk niets aan. De wetenschap heeft het ook vaak mis hoor, zeker bij dit soort studies tast men vaak in het duister. Het blijft een kwestie van interpreteren. Een oplossingsgerichte gedachte doemt bij me op. Eens had ik een kwetsuur aan de pees in mijn voet en de podotherapeut weet het probleem aan de stand van mijn voet, terwijl de manueeltherapeut het zocht in mijn totale loophouding. Mary Roach probeert Elvis Presley te verklaren vanuit haar vak: het perspectief van het maag-darmkanaal. Dat is het hele probleem.

Wetenschap is niet alleen een middel om de toekomst te beïnvloeden, ook de schepen achter ons worden verbrand.

 

 

Richard Brand

  

 

 

Bellenblazer

bel

30-05-2014

Zowat elke dag om een uur of vier maken mijn zoontje en ik samen een wandeling. Met zijn kleine knuist pakt hij me stevig bij mijn wijsvinger vast en begeleid me, of ik wil of niet, naar de glijbaan verderop. ‘Put,’ zegt hij onderweg wijzend bij elke straatkolk die we tegenkomen. En ‘Klok,’ als de kerkklok in het dorp luidt. Hij kijkt omhoog of ik het allemaal wel begrijp. Ik moet wel opletten. Eenmaal bij de glijbaan roept hij, alsof we de glijbaan ergens op betrappen: ‘Aha!’ Meteen klautert hij dan naar boven en maakt aldaar zijn glijvlucht. Toen ik hem dat een tijdje geleden voor het eerst zag doen was ik zo trots. En bang tegelijk. Nu is de kleine man het na twee glijbeurten al weer beu en moet onze wandeltocht worden voortgezet. Want treuzelen is er niet bij, daar kan hij niet zo goed tegen. We moeten zoals altijd door de greppel oversteken, door het hoge groen. ‘Ga jij maar eerst, ’ brabbelt hij in zijn eigen taal: hij volgt. Als ik aan de andere kant van de greppel sta, zie ik zijn blonde kuifje door het hoge gras bewegen; zijn handen peddelen als een pasgeboren schildpad naar de horizon. ‘Tadaa!’ roepen we in koor als hij eenmaal boven voor me staat. De euforie is telkens groot. Elke overwinning wordt gevierd. Ook de kleine; juist die. En dan begint onze wandeling pas echt.

We volgen het smalle grindpad dat door het weiland kronkelt. Meneer gaat nu voorop, met zijn te grote jas aan. Hij heeft het druk. Elke geluid moet worden nagegaan: een vliegtuig, een passerende trein, een ontglipte scheet van zijn vader. ‘Paard!’ roept hij tussendoor bij het zien van een grote hengst aan de overkant. Diverse bloemen plukt hij onderweg. Vooral die stengels met die witte pluisjes, die zijn het leukst. Die kun je eraf blazen. ‘Huuh,’ zegt hij hardop, zonder dat er werkelijk lucht uit zijn mond komt. ‘Huuh!’  Maar met een paar keer schudden lukt beter: de pluisjes vliegen door de lucht. Daarna steken we de Kerkweg over.

‘Auto auw!’ roep ik een paar keer om hem het besef van gevaar bij te brengen. Daar kun je niet vroeg genoeg mee beginnen. ‘Auto auw!’ Ik zie hem fronsen. Alsof zijn papa niet helemaal goed is. Auto auw? En zonder te kijken steekt hij over. De waaghals. Ik weet waar hij heen wil, uiteraard. We doen het elke dag. Verderop staat een trampoline zonder veiligheidsnet eromheen. Hij stiefelt er recht op af. Op die trampoline zal hij de zenuwen van zijn papa nog iets verder proberen op te rekken.

Aan het eind van de tocht, als we nodig naar huis moeten omdat mama het eten op tafel heeft staan, ontstaat er altijd discussie. Meneer wil het hele traject nog eens dunnetjes overdoen. Maar deze keer ben ik voorbereid. Ik ga hem afleiden, omkopen, lokken. Uit mijn zak haal ik de bellenblazer.

En het werkt, zijn ogen veranderen in amandelen. Armpjes langs het lijf. Hij verlamt van aandacht. Mijn eerste pogingen mislukken helaas, maar daar kan hij wel om lachen. Dan zien de eerste belletjes het levenslicht. Lullige kleine belletjes. Ze dalen neer, spatten op mijn eigen schoenen uiteen. De volgende gaan al wat beter. Eentje belandt op zijn voorhoofd. Anderen waaien op, dwarrelen in de wind. De lage zon in de middagnevel verlicht de glanzende bollen. We staan naast elkaar: vader en zoon. Ik blaas en geniet van het voorjaarsgroen, van de bloemen. De vogels zijn druk doende met het bouwen van hun nesten. Een bel komt langwerpig uit de bellenblazer. Een andere klein. Sommige storten snel ter aarde. Andere zweven wel seconden lang op de wind voordat ze tegen een obstakel uit elkaar spatten. Allemaal weer anders. Toch komen ze uit hetzelfde flesje en worden door dezelfde adem de wereld in geblazen. Dan, onder mijn neus, groeit er een bel zo groot als een bowlingbal. Perfect rond. Met verbazing zie ik mijn zoontje opkijken. In een luwte blijft hij even voor ons zweven – dan gaat hij langzaam op reis. Met onze ogen volgen we de glazen bol. Over het gras. Rakelings opstijgend langs hoge boomtakken. Hij spat maar niet, lijkt het eeuwige leven te hebben. Ver en hoog verdwijnt hij uiteindelijk tegen het avondlicht uit zicht. Mijn zoontje slaakt een zucht. Het is tijd voor het eten. Sloffend gaan we op huis aan.

 

 

 

Richard Brand    

 

De zolder

 

18-05-2014

 

De brandweerkazerne. Etenstijd. Door een uitruk zitten we wat later dan normaal aan tafel en ik heb reuze honger. Maar juist op het moment dat mijn vork, omwikkeld met smeuïge bami, m’n mond bereikt, gaat de pager opnieuw af: Brand in een woning. Op een niet nader te noemen adres.

Onder het geloei van sirenes razen we door de stad. Als Mozes door de Rode zee wijkt het verkeer. Tot we aankomen. Een tussenwoning, een rijtjeshuis, de vlammen slaan uit het dak. We zijn niet de eerste. Een andere Tankautospuit staat al schuin voor de deur. De woning wordt juist binnengetreden door collega’s met een hogedrukstraal in hun handen.

De eerste bevelvoerder komt naar buiten, zijn overall dampt van de rook. Hij doet zijn persluchtmasker af, veegt het zweet van zijn gezicht. ‘Het brandt op zolder,’ zegt hij. ‘Wil jij de naastgelegen woningen controleren op overslag?’

Tussen de dakpannen door zie ik inderdaad vlammen dansen in de richting van de belendende woningen. Onmiddellijk geef ik mijn mannen het commando de twee woningen te ontruimen en te controleren. Een vrouw in een badjas komt net uit de linker woning lopen, ze mompelt iets over de collectie van haar man op zolder. Mijn collega’s zijn al onderweg om haar man naar beneden te halen.

‘Tjonge jonge,’ zegt een collega tegen me, eenmaal weer buiten, ‘die mensen hebben daar een hele Nazi-verzameling op zolder, joh.’ Hij stiefelt alweer richting de andere woning. De bewoner die nog boven was, heeft inmiddels het pand verlaten. Het leek me de moeite even polshoogte te gaan nemen.

Met een collega in het kielzog beklim ik de trap. Met ons hoofd door het trapgat gestoken, worden we verwelkomd door een grote SS-vlag tegen de zolderkap. Links tegen de muur staat een vitrinekast, vol met Gestapospeldjes en rariteiten. Een aantal mortiergranaten staan keurig op een rij, en een glanzend Gestaposabel hangt tegen de muur. De wanden en de kap zijn bezaaid met zwart/wit foto’s van Nazi’s. Helmen, wapens en epauletten van de doodseskaders. Op zoek naar eventueel doordringende rook van hiernaast zien we op een kleine kast een stapel vergeelde kranten liggen; dreigend nieuws uit 1944 schreeuwt van de voorpagina. Voor even wanen we ons in de stille vergetelheid van een lang verstreken tijdperk. En dat zo onverwachts. In een rijtjeshuis. Naast een brandende woning. Voordat we de zolder weer verlaten valt mijn oog nog op de oude leunstel in het midden van de zoldering, ernaast staat een bijzettafeltje met een aantal aangebroken flessen whisky erop en een glas. De stoel biedt uitzicht op een loepzuivere foto van de Führer. In zijn glorietijd.

De brand is inmiddels onder controle. Verderop zie ik de eigenaar van de verzameling staan. Van een afstandje staat hij naar zijn huis te kijken. Naar zijn zolder. Wat zou hij denken? Daarna rijden we rustig terug naar de kazerne. Opgewarmd smaakt bami ook best goed. Wel moet ik nog even terugdenken aan die zolder, in dat rijtjeshuis.

 

 

Richard Brand

Martin Bril

martin-bril

 

23-4-2014

In de Sir Edmund, de cultuurbijlage van de Volkskrant van afgelopen zaterdag, staat een stuk over het leven van Martin Bril, geschreven door Bert Wagendorp. Bril, de columnist, schrijver en dichter, was 22 april 5 jaar dood. Ter gelegenheid daarvan verscheen er maandag een documentaire bij de Vara. Ook is er afgelopen week een biografie over hem verschenen.

Een andere Bril, zo is het stuk van Bert Wagendorp getiteld. Daarin valt ondermeer te lezen dat het werk van Bril nog altijd goed wordt verkocht, zelfs beter dan tijdens zijn leven. Wat duidelijk in het stuk naar voren komt is dat Bril een gekwelde geest was. Een onrustige zoeker naar zijn eigen doel. Tragiek en onmacht voeren in zijn leven de boventoon; verslaving aan drank, drugs en vrouwen brengen hem tot aan de rand van de afgrond. Tot hij op een dag (1996) in Mathijs van Nieuwkerk – destijds de nieuwe hoofdredacteur van Het Parool – een strohalm vindt en een dagelijkse rubriek mag schrijven over het proces tegen ‘de Hakkelaar’.  Vanaf dat moment gaat hem alles voor de wind: Bril drinkt en snuift vrijwel niet meer. Hij schrijft voor de NRC, de Volkskrant, komt in DWDD en treedt op in den lande met Bart Chabot en Ronald Giphart. Martin Bril groeit uit tot een van de beroemdste columnisten van zijn tijd, toont zich een ware levensobservator.

Dan kanker. Hij raakt verbitterd. Bril kijkt terug op een leven dat hem uitermate ontevreden stemt. Zijn leven is niet geworden wat hij ervan gehoopt had. Hij heeft zijn kostbare tijd verspild aan bullshit en vindt dat hij er een puinhoop van heeft gemaakt. Als man en als vader. Aan zijn beste werk is hij niet eens toegekomen. Alleen maar werken, geld verdienen, carrière maken – en wat heeft het hem gebracht? Behalve zijn columns dan.

Na de dood volgt de Neerlandse vloedgolf: de constructie dan wel deconstructie van een kunstenaar. Boeken, kranten, de documentaire – mogelijk dat er eerdaags een filmmaker met hem aan de haal gaat? Of een romanschrijver? Het profileren, via een eens zo profilerende schrijver, is na 5 jaar in volle gang. Daar mag dit stukje uiteraard ook toe worden gerekend. De stukjes die Bril ooit schreef zijn nog lang niet uitgemolken: Move the product.

Wat in het artikel van Bert Wagendorp, naar mijn inzicht, nogal doorschemert is de vraag: was Bril nu een ware kunstenaar of misschien toch een handige Copiwriter? Aan welke criteria, behalve zijn werk, moest de kunstenaar ook al weer precies voldoen?

Bril bezat, in romantische zin, veel eigenschappen van een kunstenaar: ten eerste had hij een onbetwiste rock and roll-uitstraling, een voor ieder onpeilbare geest (zelfs voor zijn vrienden, erg gunstig), hij was verslaafd, tobde met tot de verbeelding sprekende thema’s, zoals ‘schuld en schaamte’, verwaarloosde zijn vrouw en kinderen. En hij is dood!  Allemaal bruikbare tragedie. Want wie wil er nu een rijke vetzak in streepjespak als kunstenaar? De kunstenaar moet lijden en worstelen en het liefst een beetje kierewiet zijn. Dan pas valt er iets te halen voor de gewone burger. Dan pas verdient hij de aanduiding: reviaans of briliaans. Of iets dergelijks.

Het antwoord op de vraag of Bril een kunstenaar was, stelt Bert wagendorp in zijn artikel, en dat ben ik met hem eens, ‘hangt af van de welwillendheid van de lezer jegens de auteur. De kwaliteit zit tussen de regels’. Zelf durf ik eraan toe te voegen dat kunst immer voor een aanzienlijk deel gecreëerd wordt door het oog van de beschouwer.

 

 

Richard Brand

 

 

 

 

 

Maandagochtend

gaspak met ademlucht binnen

14-04-2014

 

Het is maandagochtend en ik zit achter mijn bureau in mijn computerkamer. Vanuit de deuropening klinken de frivole kinderstemmen van baby-tv, in de woonkamer stappen de voetjes van mijn zoontje over de houten vloer. Hij brabbelt woordjes in zijn ondoorgrondelijke taal. Buiten komt net met veel lawaai een vuilniswagen tot stilstand. Vuilnismannen springen van de wagen, lopen door de miezerregen en legen de containers voor de deur. Met dezelfde snelheid als hij gekomen is, verdwijnt de wagen weer achter de omheining van de buren. De rust keert terug in de straat. Ergens heb ik gelezen dat vuilnismannen liever achter op de wagen staan dan voorin zitten. Dan zijn ze de hele dag lekker buiten en in beweging. Tegenwoordig is het beroep Vuilnisman niet alleen een redelijk stabiele betrekking: het blijkt (althans, volgens dat stuk dat ik las) ook een van de gezondste manieren om oud te worden.

Vorige week begon mijn maandag iets minder ontspannen, herinner ik me: met de cursus Gaspakdrager.

Daar stond ik, tegen wil en dank: in een rode overall, latex handschoentjes aan. Het persluchttoestel werd door een helper bij me omgehangen, de draagbanden stevig vastgesjord. Het gelaatmasker hing aan een koord om mijn nek. Het kinbandje van de helm drukte vervelend tegen mijn adamsappel, maakte het slikken wat lastig.

Een gaspak is een eendelig zwaar rubberen pak waar de laarzen en handschoenen aan vastzitten. Het pak was al klaargelegd op de garagevloer; als een opengerolde octopus die op zijn maaltijd lag te wachten. Ik stapte in de aangesealde laarzen. De helper trok de rubberen huid omhoog tot over mijn schouders, mijn handen zochten naarstig in de mouwen naar de handschoenen. Het perslucht-gelaatmasker kon alvast aan mijn helm worden bevestigd. Vanaf dat moment beschouw je de wereld als vanuit een aquarium.

In een perslucht-gelaatmasker zit een klein rond gat, ongeveer twee centimeter, met daarin een klepje dat opengaat als je inademt. Om de lucht uit de fles niet onnodig te verspillen, wacht men zo lang mogelijk met de slang aankoppelen. Eerst dient alles (flesdruk, luchtslangen…) nogmaals te worden gecontroleerd.

Vanachter het maskerscherm zag ik de gestalte van de instructeur druk bewegen. Nadat hij alles klaarblijkelijk gecontroleerd had, mompelde hij: ‘… zo direct daar de trap op … verkennen, de gang door … een andere trap af… verderop ligt een slachtoffer bij een chemische tank.’

Ik knikte en zoog lucht.

De slang werd aangekoppeld – ademlucht uit de fles vulde nu mijn longen. De helper ritste met veel kracht de roestvaststalen ritssluiting dicht. Achter de twee vensters vormde de vingers van de helper zich tot een cirkel. ‘Alles oké?’ riep hij vermoedelijk. Zijn mond bewoog, maar het enige dat ik hoorde was het gezuig van mijn eigen ademhaling.

Als een ruimtereiziger begaf ik me traag in de richting van de ijzeren trap. Het was zaak mijn ademhaling te beheersen, mijn lichaamstemperatuur moest op peil blijven. In een gaspak wordt de warmte totaal niet afgevoerd, loopt alleen maar op. Overbodige beweging dient men zoveel mogelijk te voorkomen. Warmtestuwing kan nare gevolgen hebben. En de lucht uit de fles is natuurlijk beperkt. Mocht er onverhoopt iets misgaan – het persluchttoestel weigert of de lucht raakt op – dan ben je afhankelijk van derden. Zelfstandig het pak openmaken is niet mogelijk. Daar kon ik beter niet al teveel bij stilstaan: dat zou mijn ademhaling onherroepelijk versnellen. Ik moest geen paniek in de tent.

Die trap, die ellendige trap!

Ongeveer bij de tiende trede was de sauna in mijn gaspak compleet. Het kleine gat in mijn gelaatmasker kon nog niet de halve hoeveelheid lucht doorlaten waaraan ik behoefte had. Psychisch! Het is gewoon psychisch! dichtte ik mijzelf toe, al hijgend. Gaspakken waren hier immers voor gemaakt, iedereen moest dit toch kunnen. Ik moest mij focussen en juist niet denken aan waar ik nu mee bezig was. Op zoek naar afleiding kwam ik met mijn gedachten terecht in de zaal bij Ivo Niehe. Op de achtste rij om precies te zijn. Twee weken daarvoor bezochten mijn vrouw en ik zijn show in het Luxor theater, te Rotterdam. Niehe gaf aan het eind van zijn show een aantal tips mee aan het publiek; levenslessen die hij van zijn vader had meegekregen: ‘Vind een doel in je leven. Volg je passie. Denk niet aan geld…’ Maar ik dacht niet eens aan geld: ik dacht aan ademlucht.

Gaandeweg ging het wat beter, al denkend aan van alles en nog wat, kalmeerde mijn ademhaling. Het gaspak zal nooit mijn hobby worden, toch begon het enigszins te wennen. Binnen in het pak ben je afgesloten van de rest van de wereld, verwijderd van allerhande zaken. Een klein universum. Er zijn mensen die zich terugtrekken in stiltekamers, er dik voor betalen. Ik raad hen het gaspak aan, als therapie. Als het gaspak je behaagt, zal je je op andere plaatsen alleen maar vrijer voelen.

Inmiddels heeft mijn zoontje zich gemeld. Via mijn kruis probeert hij zich omhoog te hijsen. En gelijk heeft hij, de kleine man. We gaan naar buiten, fietsen. Achter de vuilnismannen aan!

 

 

Richard Brand

 

 

Het vrije leven

gaspak[1]

3-4-2014

Hoe kom ik hier nu weer in terecht? dacht ik, toen ik vanmorgen met een ellenlange zucht door het leerboek Gaspakdrager bladerde. Het beroep Gaspakdrager heeft nooit op mijn verlanglijstje gestaan. Zelfs niet helemaal onderaan, of als bijvoegsel. Ik moet toegeven dat het woord gaspak lange tijd niet eens deel uitmaakte van mijn bescheiden vocabulaire. Nu moet ik voor mijn werk de cursus Gaspakdrager gaan volgen. Waar is het misgegaan?

Waarschijnlijk al ergens op de lagere school, toen ik dagelijks dromerig door het raam naar buiten zat te turen en zo’n beetje alle lessen aan me voorbij liet gaan. Waar ik al die tijd aan zat te denken kan ik me niet meer voor de geest halen. De gaspakdrager moet daar al stiekem naar binnen zijn geslopen. Wat ik toen nog niet besefte, is dat een afwezige leerling vroeg of laat zal worden geconfronteerd met dingen die hij helemaal niet wil doen.

Toch vrees ik dat vele anderen ook hun gaspak niet zullen ontlopen. Het kan aan mijn directe omgeving liggen, maar als ik zo om me heen kijk lijkt het of niemand doet wat hij werkelijk had gewild. Tenminste, dat is bijna niet voor te stellen. Beroepen waar je van huivert, titels waar je maag bij omkeert. De meest voorkomende zijn natuurlijk …chef,director en …manager. Manager wordt overal op en aan geplakt, het gruwelijkste rotbaantje, waar zelfs de Polen voor op de vlucht slaan, verandert spontaan in een hoopvolle carrièremove als het etiket manager erop geplakt wordt. De zalvende werking gaat jarenlang mee. Toch twijfel ik sterk aan een inhoudelijke match (vergeef me de woordkeus) tussen mens en werkzaamheden. Menigeen moet zich jarenlang elke ochtend uit bed zien te hijsen om aan zijn verplichtingen te voldoen. Onze vrije liberale samenleving lijkt hoofdzakelijk dwangarbeid op te leveren. En eufemistische titels natuurlijk, die als lokaas dienen.

Aankomende maandag, al wandelend in mijn bezwete gaspak, zal ik dromen dat ik in feite een gaspakmanager ben. De director van de chemische walm waar ik me doorheen klief, op zoek naar een pop, een fictief slachtoffer. Mijn wereldje zal, vanachter het wazige gelaatscherm, voor mijn ogen langzaamaan veranderen in een grote roze wolk.

 

Richard Brand

 

 

 

De nar, en het pesten.

geert wilders

 

21-03-2014

Vandaag opent de Volkskrant met de kop: ‘Heeft Wilders zijn hand overspeeld?’ In het artikel valt te lezen dat er een orkaan van verontwaardiging is uitgebroken over de uitspraak die Wilders heeft gedaan over ‘minder Marokkanen’. Politici spreken er schande van, de premier heeft er een vieze smaak van in zijn mond gekregen, per direct is een gedesillusioneerd PVV-kamerlid opgestapt, honderd aangiften stromen binnen, men zoekt naar mogelijkheden de PVV van samenwerking uit te sluiten. Ook wordt nagegaan of de uitspraak misschien strafbaar is. Het lijkt een vicieuze cirkel, een Déjà vu die de werkelijkheid inhaalt – men leert niet.

Al jaren kampen politici met de vraag hoe ze Wilders van repliek moeten dienen. In het debat voorafgaand aan de gemeenteraadverkiezingen werd weer eens pijnlijk duidelijk hoe Wilders met gemak zijn tegenstanders aftroeft. Door de betogen van andere politici heen begint hij te brullen, braakt een paar oneliners uit, en de beteuterde gezichten verschijnen weer. Geen van hen lijkt grip op de situatie te krijgen. Hoe moeten ze toch met deze eeuwige lastpak omgaan? Politici zijn hier blijkbaar niet zo goed in.

Als kind liep er bij ons in de straat, in de late middag, altijd een vrouw voorbij die haar rok nogal hoog had opgetrokken. Ze mompelde, begon te schelden in het niets. Wat ook opviel was haar handtas die hoog over haar borst hing en haar enorme onderlip. Als wij kinderen in haar buurt kwamen begon ze steevast te brullen en ons te verjagen. Kilometers rende ze, zwaaiend met haar handtas, achter ons aan. Tot ze uiteindelijk vermoeid moest opgeven, kwijlend en foeterend vertrok ze keer op keer. Hoewel ons gepest altijd veel plezier opleverde, zou ik haar met terugwerkende kracht mijn oprechte verontschuldiging willen aanbieden. Bij politici ligt dat anders.

Wilders heeft al eens aangeven dat hij een luis in de pels wil zijn van de gevestigde partijen. Maar daar schijnen de andere fractieleiders en Kamerleden zich niet veel van aan te trekken. Zij blijven stoïcijns inhoudelijk debatteren, negeren de realiteit. Wilders is een nar, met een onverzadigbare behoefte aan aandacht! Elke mogelijkheid om aandacht te genereren zal hij met beiden handen aangrijpen, en dat lukt het makkelijkst met kwetsende onderwerpen. Als hij shockerende dingen roept, worden vanzelf de schijnwerpers op hem gericht. Inhoudelijk reageren is zinloos.

Regeren wil de PVV, (lees Geert Wilders) niet. Dat zal een ieder zijn opgevallen. De Partij voor de Vrijheid ontbeert niet per ongeluk de bestuurlijke krachten en een alomvattend partijprogramma; ze is daar eenvoudigweg niet voor opgericht. Zodra de peilingen te hoog oplopen, roept de fractieleider iets onbetamelijks, dat samenwerking met andere partijen onmogelijk maakt. Wilders zwijmelt. De mensen die dit mogelijk maken zijn niet alleen de kiezers, die louter als klapvee dienen, maar ook de figuranten op zijn politieke toneel: de fractieleiders van de andere partijen. De PVV-partijleden kunnen vrijwel geruisloos worden afgewisseld: het is ronduit onwenselijk als een getalenteerde collega te lang blijft rondhangen.

De vraag is nu: heeft het zin de nar het dorp uit te sturen? Een cordon sanitaire of strafmaatregelen? In Nederland mag men zeggen wat men wil, dat moeten we volgens mij vooral zo laten. Iedereen heeft hier een stem, zelfs pedofielen. Wilders is (net als veel andere politici) een sluwe man, maar hij speelt de dorpsgek. De meeste Nederlanders begrijpen heus wel dat met zijn leuzen de problemen niet worden opgelost. Voor de mensen – in dit geval de Marokkanen, maar morgen weer anderen – die zich gekwetst weten, kunnen zich afvragen hoe de opmerkingen van de nar in te schatten. Hij verkondigt een onderbuikgevoel van een aanzienlijk deel van het electoraat, en het is een westerse gewoonte – ook al is het kwetsend – dat cynisch uit te spreken.

Voor worstelde politici en gekwetste minderheden is mijn devies: de schouders ophalen, zelf werken aan oplossingen, en vooral stevig terug pesten.

 

Richard Brand

 

 

 

 

 

 

 

 

Loopgraven

Poetin-vinger-omhoog-Indonesie-EPA_0

15-03-2014

Zojuist hoorde ik dat de Russen weer een stad hebben ingenomen in de Oekraïne. Nu moet je niet alle berichtgeving blind aannemen, zeker niet, maar het zou me niet erg verbazen als het bericht klopt. Zelf heb ik geen idee hoe deze crisis gaat aflopen. Wie wel? Het zou natuurlijk kunnen dat Poetin gewoon eens kijkt tot hoe ver hij kan gaan, hij kan ook voorgoed in de Oekraïne blijven, uitbreiden. Alles lijkt erop dat de Russen zich letterlijk hebben ingegraven (kun je je het voorstellen, anno 2014, de Russen zijn op sluikse wijze Europa binnengevallen, ze liggen al klaar in de loopgraven. Wie had dat een paar weken geleden kunnen bedenken?). Het is een vreemde gewaarwording, alsof je zeventig jaar terug in de tijd wordt geworpen, naar een geschiedenis die je slechts uit de mond van je opa kent, of films. Van al die gekken die daar momenteel rondbanjeren hoeft er maar iemand uit zijn slof te schieten, een idioot, te veel gezopen misschien, je weet het soms toch niet, en het explodeert: oorlog.

Is het een krachtmeting – machtmeting – gaat het om de prestige, de ego’s, of gewoon ordinair om geld, een misrekening zou ook nog kunnen (een impulsaankoop). Of alles tezamen? Poetin lijkt me wel iemand die graag in de belangstelling staat. Hij wil er goed uitzien, heeft zich een paar keer heel gunstig laten fotograferen, bloot bovenlijf, haartjes gekamd, een vishengel in zijn handen zodat zijn ouwelullenspieren beter uitkomen. Ergens doet hij me een beetje denken aan Berlusconi, en op de achtergrond ook ietwat aan Wilders. Ik bedoel, dat geblondeerde haar. Mannen van die leeftijd met een geblondeerde coupe, tja, dat kan nooit alleen maar over politiek gaan. Mislukte kunstenaars, artiesten, clowns, ze moeten uiteindelijk toch ergens terecht. Het politieke toneel is en blijft een podium, schijnwerpers.

De Krimcrisis, laten we het zo maar even noemen. Wat is er aan de hand? En hoe gaat het worden opgelost? Sancties? Vast wel. Merkel heeft het ook al gezegd, ‘Rusland zal zeer hard worden getroffen.’ Maar de Russen geven aan synchroon met sancties te reageren. Wie heeft de langste adem, of, wie durft het verst te gaan? Ik zag oude beelden van Poetin op tv voorbij komen waarin hij in het Russische parlement uitlegt wat hij het liefst met zijn tegenstanders wil doen: ‘… op het toilet de strot afsnijden.’ Bovendien staat hij nog steeds als een vriend achter Assad, die nu op zijn gemak een paar steden in Syrië aan het uithongeren is. Zo’n man als Poetin zit aan de knoppen van nucleaire wapens en valt een buurland binnen. Daar is geen NSS-top tegenop gewassen. Voor het moment ben ik heel blij met Duitsland, al was het maar als interstitieel obstakel.

Richard Brand

PS De laatste tijd zijn er weinig mensen die zich nog openlijk zorgen maken over de Russische homo’s.

Cees Nooteboom

cees

 

11-03-2014

Gistermiddag thuis zat ik achter mijn pc en zag onverhoeds op LinkedIn het bericht voorbij komen dat Cees Nooteboom diezelfde avond in mijn woonplaats Schiedam zou komen vertellen over een pelgrimstocht, die hij gemaakt heeft met fotografe Simone Sassen in Japan.

De kans dat je een wandelende dolfijn op de hoogstraat treft, is groter dan dat je de schrijver en eeuwige reiziger Cees Nooteboom in Schiedam tegenkomt. Dus ik ben maar even op mijn fiets gesprongen.

De avond werd gehouden in ’t Huis te Poort, een kleine katholieke kerk op de Dam. De houten kerkbanken raakten langzaamaan gevuld met ouderen, terwijl ik mijn gratis koffie dronk en om me heen de ornamenten bewonderde die een katholieke kerk zo eigen zijn.

Om kwart over acht, toen de zaal redelijk vol was, kwam via de zijingang Cees Nooteboom binnenlopen, een beetje gebogen in zijn colbert. Hij keek nauwelijks op en nam plaats op de voorste rij, waar men uiteraard een plekje voor hem had vrijgehouden. Er werden eerst een paar liedjes gespeeld op de piano door een jonge Japanse dame in een vrolijk gekleurd jurkje. De akoestiek in de kerk weerklonk enorm, dus wat de Japanse dame (ongeveer 10 min lang) in het Engels vooraf in de microfoon had staan vertellen over haar muziek, was zo goed als onverstaanbaar geweest. Cees Nooteboom op zijn beurt klopte voor hij begon even laconiek op de microfoon en constateerde dat die uit stond. Het probleem werd snel opgelost en de vertelling kon beginnen.

Terwijl op een diascherm om de paar tellen sfeervolle foto’s van Japan voorbij kwamen, vertelde Cees Nooteboom in vloeiende bewoordingen over zijn pelgrimstocht; een complexe onderneming vanwege de slecht bereikbare tempels in de bergen… slechte wegen… Hoewel ik mijn uiterste best deed om hem te blijven volgen, dwaalde ik toch af. Daar stond een internationaal befaamd schrijver, een oude man, een karikatuur ook wel, die met grote levenslust stond te vertellen over zijn laatste project: Saigoku, pelgrimage naar de 33 tempels bij Kyoto. Wat zou er van hem geworden zijn als niet zijn eerste roman, Philip en de anderen, een succes was geweest? dacht ik nog even. Had hij dan ook die tocht gemaakt en hier gestaan, en ik op deze houten bank gezeten. Zoals hij daar stond, welbespraakt en toch alledaags, kwam ik tot de onomstotelijke conclusie dat Cees Nooteboom sowieso een grote schrijver zou zijn geworden.

Toen de lezing klaar was, en de schrijver op aangeven van de organisatrice zich naar een tafeltje achterin de zaal begaf, waar hij mocht signeren, schoot mij een korte mailwisseling van die middag te binnen met Arnon Grunberg: ‘Doe hem de groeten. Ik ga morgen naar Congo’.

Schrijvers zijn reizigers, desnoods in hun gedachten. Onrust en nieuwsgierigheid blijkt niet alleen een goede voedingsbodem voor het maken van kunst, literatuur –  aanhoudende inspiratie komt niet aanwaaien, dient ten alle tijden te worden nagejaagd.

Ik liep richting het tafeltje, waar de schrijver had plaatsgenomen en een eerste boek signeerde. Voordat ik er was, stonden er tientallen ouderen om hem heen; ze bukten naar de stapels boeken, verdrongen zich. Nog een paar minuten heb ik vanaf de zijkant naar hem staan kijken, tussen de mensen door, naar zijn gezicht, zijn handen, het enigszins platte achterhoofd. Een schrijver op een doordeweekse avond in een katholiek kerkje ergens in Schiedam, af en toe opkijkend, signerend. Een man die doet wat hij doen moest.

Niet veel later ben ik op mijn fiets gestapt en naar huis gefietst. De wind was koel, het beloofde een heldere nacht te worden. In bed heb ik nog een tijdje aan Nooteboom liggen denken. Aan zijn lange leven. Zijn manier van doen. Ik besefte dat ik nog nooit een boek van hem had uitgelezen.

 

Richard Brand

 

 

 

Invloed

poetin

10-02-2014

Soms komt het er weken niet van dat ik even iets opschrijf. Gedachten doemen op en vervliegen voordat ik er gestalte aan heb kunnen geven. Nu ik een laptop heb bemachtigd, kan ik neerploffen waar ik wil om snel mijn hersenspinsels in symbolen uit te drukken. Want laten we niet vergeten, letters en woorden blijven symbolen.

Een van die gedachten waar ik niet aan toekwam betreft het onderwerp ‘homo’s in Rusland’. Een platgelopen onderwerp natuurlijk. Zo’n beetje elke Europeaan voelde zich de afgelopen maanden geroepen een moreel oordeel te vellen over het Russische homobeleid. De internationale homorechten gaan ons blijkbaar op selectieve momenten extra aan het hart. Wat is er toch gesteggeld over wie wel en vooral wie niet mee mocht gaan naar de Olympische spelen, als we in hemelsnaam maar het juiste signaal zouden afgeven. Alsof er ook maar iemand in de wereld is die nog niet weet hoe we erover denken, laat staan de Russen.

Tijdens die hele discussie vroeg ik me vooral af  waarom het nou precies over homo’s moest gaan. Waarom ging het bijvoorbeeld ook niet een beetje over Russische gehandicapten of bejaarden, de positie van vrouw, of biseksuelen van mijn part. Dat zijn toch ook mensen. Nee de homo bevond zich in het episch centrum van de mensenrechtenproblemen. En begrijp me niet verkeerd; het is niet dat ik discriminatie van homo’s wil bagatelliseren. De homo heeft het ongetwijfeld heel slecht in Rusland. Maar Ik twijfel gewoon aan de westerse intenties, de goede bedoelingen, het beoogde resultaat.

Als we dan zo met homo’s begaan zijn en signalen willen afgeven, waarom pakken we dan elke dag massaal onze koffers om Rome te bezoeken? Het Vaticaan is al eeuwen tegen homo’s (en condooms), maar nee, zolang de museumdeuren op tijd opengaan en de cappuccino goed smaakt, blijven de ‘westerse’ toeristen onverminderd toestromen.

Het hele gedoe omtrent de Russische homo lijkt nog het meest weg te hebben van een staaltje ouderwets cultuurimperialisme. We willen dat andere volkeren net zo worden als wij zodat we meer invloed kunnen uitoefenen. Dat is misschien ook wat de Russen zo irriteert; dat wijzende en belerende. En vervolgens zelf investeren in producenten van kernwapens (AEGON, ING, het Unilever Pensioenfonds), de Roma deporteren, kinderen het land uitzetten ….

De literatuur kent een bekend voorschrift dat mogelijk als advies voor internationale betrekkingen zou kunnen dienen: Show, don’t tell.

 

Richard Brand

In bad

badeend

17-1-2014

Gisteren gingen mijn zoontje en ik in bad en zoiets vergt uiteraard enige voorbereiding. Het is een ritueel. Eerst kleed ik mijzelf helemaal uit, vervolgens leg ik de kleine terrorist op de commode en ontdoe hem van zijn gevechtstenue. Samen huppelen we bloot en giechelend richting de badkamer.

We gingen te water. Ik stapte over de rand, waarbij mijn zoontje al watertrappelde voordat hij überhaupt water raakte. Tegen de tijd dat we samen goed en wel in bad zaten, droop er een aanzienlijke hoeveelheid badwater her en der langs de muren.

Eenmaal te water begint, zoals altijd, een lachwekkend gevecht. Mijn zoontje voelt zich goed, is in zijn element, hij voelt zich uiterst machtig binnen de wanden van onze badkuip. Dit is zijn terrein, zijn territorium. Zijn vader heeft hier eigenlijk bitterweinig te vertellen (daarbuiten ook).

Hij begon in het water te slaan, te drummen, en met een aanloop dook hij juichend bovenop mij. Dolle waterpret. Vergeefs trachtte ik hem te kalmeren: ‘Kijk hier eens! Hier hebben we het badeendje, zie je wel? En het schildpadje en de zeester…’ Mijn zoontje lachte, schaterde, en besprong me nog een keer.

Aan het eind van het feest – er was nog ongeveer 10 centimeter water over – stapte ik uit bad. Zo direct zou ik mijn zoontje eruit tillen. Het rook wat muf in de badkamer, viel mij op, maar het plafond was goed wit. Ik droogde mijn rug en hield met een schuin oog de kleine terrorist in de gaten. Het badeendje, de schildpad en de zeester dobberde om hem heen, hij zat enthousiast met de grote bruine dennenappel te spelen. De grote bruine dennenappel? Die hadden we toch helemaal niet … Ineens zag ik het duidelijker: poep! Overal poep! Die muffe lucht zat ook in de badhanddoek, waarmee ik zojuist mijn rug had staan schrobben.

Mijn zoontje lachte uitbundig en voerde nog eens een drumsolo uit in het weeïge badwater.

(Terwijl ik dit schrijf probeert hij overigens mijn neus over mijn voorhoofd te trekken)

 

Papa

 

Veranderingen

DSC_1066

7-1-2013

Vorige week donderdagochtend kwam de manager mijn kantoortje binnenlopen. Hij had zijn jas nog aan en wenste mij een gelukkig nieuwjaar. Ik had hem al een tijdje niet gezien, de manager. Onhandig ontdeed hij zich van zijn winterjas en nam plaats tegenover mij aan het bureau. Peinzend keek hij om zich heen naar de wanden van mijn kantoortje.

‘Hoe was je vakantie?’ vroeg ik zelf maar, toen hij voor de tweede keer ging verzitten en nog niets had gezegd. Ooit was ik verzekeringsagent, als geen ander weet ik dat je de klant eerst gerust moet stellen, het ijs dient gebroken te worden. Anders valt er niets te slijten. Ik wilde het hem niet ongemakkelijk maken. De manager is een aardige man; hij moest een negatieve boodschap slijten. Managers zijn over het algemeen aardige mensen.

‘Goed,’ zei hij zichtbaar opgelucht. En we spraken een tijdje over zijn vakantie. Lanzarote, een prachtig eiland, lekker weer, goedkoop…

Tegelijk moest ik denken aan een workshop die ik een week daarvoor had bijgewoond: over de verwerking van veranderingen. De spreekster legde uit – via de cirkel van Kübler-Ross – dat mensen bij ingrijpende veranderingen in principe altijd dezelfde (rouw) fasen doorlopen: ontkenning, woede, onderhandelen, depressie, aanvaarding. Als je een of meerdere fasen overslaat, wordt je er (volgens Kübler-Ross) vroeg of laat toch mee geconfronteerd.

Zelf meen ik dat ik altijd goed met veranderingen ben omgegaan. Sterker nog: ik zocht er uitzinnig naar. Veranderingen waren synoniem voor vrijheid. Organismen die zich niet aanpasten, stierven uit. Nu ik ouder ben, ligt dat ietsje anders: bepaalde routes wil je niet meer nemen.

Toch heeft veranderen iets tegenstrijdigs in zich: aan de ene kant wil je vooruit, maar tegelijkertijd de zekerheden die je hebt niet zo maar loslaten. Wat is de beste keuze? Vooraf is niets zeker, negatieve veranderingen kunnen evengoed positieve gevolgen hebben en vice versa. Het lijkt soms of niet de verandering zelf maar alleen de gedwongenheid problematisch is. Evident is dat mensen met veel zekerheden (geld, geloof) over het algemeen behoudend zijn, noem het conservatief. Maar ook de gewone burger wil graag zijn verworvenheden behouden.

Het doet me denken aan een aforisme van Friedrich Nietzsche (ik parafraseer): Degenen die het meest in zichzelf en hun zienswijze geloof hebben, begeven zich in de meest comfortabele illusie.

Onze illusies fungeren volgens Nietzsche blijkbaar als zekerheden.

De manager dus. Nadat we ook zijn aankomende vakantie naar Thailand langdurig hadden doorgenomen, kwam het hoge woord eruit: ‘Richard, zoals je weet is de functie van plaatsvervangend ploegchef per 1 januari komen te vervallen,’ hij trok zijn schouders op. ‘Je taken zullen gedeeltelijk moeten veranderen. Het wordt maatwerk. We verwachten dat je zelf wel met ideeën komt.’

Wat voor ideeën? Ik heb prima werk, ik functioneer, ik zit absoluut goed. Waarom moest ik met ideeën komen? Wat was de bedoeling, moest ik soms gedeeltelijk dingen gaan doen die ik hier jaren geleden al deed? Voor een stap omhoog was ik immers al eens afgewezen.

Nadat ik een tirade was begonnen over de onzinnigheid van deze plannen, ik noemde het een ‘onnatuurlijke beweging’, een ‘eenvoudigweg terugzetten’, begon de manager spontaan over iets anders. Hij verdween door het gat van de deur en kwam terug met een stapel papieren: een aantal zaken die ook speelden moesten besproken worden…

In de tussentijd vroeg mij af in welke fase van Kübler-Ross ik mij nu bevond. Vermoedelijk doorging ik de eerste twee fasen tegelijk. Het leek me beter geen fase over te slaan, zelfs goed te benutten, anders zou ik er vroeg of laat alsnog tegenaan lopen.

 

 

Richard Brand

Autobrand

 

autobrand

29-12-2013

Een lekkende brandstoftank laat zich niet blussen voordat de allerlaatste druppel brandstof (benzine) reeds in vlammen is opgegaan.

http://www.regio15.nl/actueel/lijst-weergave/20-branden/18557-autobrand-voor-buitenlandse-zaken

Beschaving

beschaving

27-12-2013

 

Dinsdag 24 december opent de Volkskrant met de kop:  ‘Schoenen poetsen voor bijstand’.

Het gaat hier over de gemeente Amsterdam, die mensen in de bijstand als onderdeel van hun reïntegratie onbetaald dossierpagina’s laat tellen, planten water geven, schoenen poetsen; ook moeten de bijstandsgerechtigden strijken, afwassen en nietjes uit paperassen halen. Wie volgens de Dienst Werk en Inkomen (DWI) onvoldoende meewerkt kan rekenen op een strafkorting. De eerste negen maanden van dit jaar legde de DWI al 1274 strafkortingen op, tegen 914 in dezelfde periode vorig jaar. Zo dreigde de gemeente deze maand een alleenstaande moeder 30 procent (282 euro) te korten, omdat zij tijdens haar pauze als schoonmaakster liever alleen wilde lunchen en niet aan een tafel met haar twintig collega’s.

Twee andere vrouwen vertelden over het werk dat zij 32 uur per week moeten doen om hun uitkering te behouden. De eerste vrouw, een 42-jarige blondine met een gymnasiumdiploma, bestierde jarenlang de administratie van het glazenwassersbedrijf van haar man, door de crisis kwam ze in de bijstand. ‘Ze doen hier alsof je niet goed bij je hoofd bent. Ik was vanochtend tien minuten te laat omdat ik m’n autoruiten moest krabben. Ik moest een verzuimbriefje halen alsof ik op de middelbare school zit. Ik ben 42, geen 5.’ De tweede vrouw, een Surinaamse 50-plusser met een hbo-diploma pedagogiek, was tot een jaar geleden manager bij een recreatieoord. Ze vertelt: ‘Als je een dossier hebt geteld, dan moeten anderen het nog drie keer controleren om te zien of je het wel goed hebt gedaan (…)’.

Ook Benjamin van Crevel (53) doet zijn verhaal: ‘De planten verzopen letterlijk, zo veel water moesten we ze geven. Elke week waren er plantenbakken leeg omdat de vorige planten dood waren.’

Astrid (33): ‘Het is vernederend. Ze doen alsof ik alles opnieuw moet leren, wassen en strijken (…) Ze laten je net zo lang met een stofzuiger door een gebouw lopen tot er ergens een plekje is waar nog niet is gestofzuigd.’

Manager Youri van der Lugt van Werkbedrijf Herstelling (het reïntegratiebedrijf van de DWI), benadrukt dat de DWI op deze manier verdringing van arbeidsplaatsen wil voorkomen. Daarom ook komt aan het eind van elke werkdag een professionele schoonmaakploeg dezelfde vloeren boenen die de bijstandsgerechtigden overdag al hebben geboend. ‘We willen natuurlijk niemand brodeloos maken.’

Oké helder.

Stel u bent door de crisis in de bijstand geraakt, dat overkomt momenteel duizenden mensen. Volgend jaar waarschijnlijk nog meer. Dan bent u zoals dat in de volksmond heet: een bijstandstrekker. Voorheen waren het voornamelijk de laaggeschoolden en immigranten die daarin terechtkwamen, maar nu ook grote delen van de middengroep. En wat nu?

U wordt door de overheid aan het werk gezet. Dan mag u iets terugdoen voor de maatschappij. 32 uur per week mag u bijvoorbeeld nietjes uit pagina’s halen en dan kopietjes maken. Dag in dag uit. Zonder enig uitzicht op verandering. De kans dat u aan een echte baan komt, (zeker boven de 50) is te verwaarlozen. Als u al enige kans maakte, dan wordt u dat nu erg lastig gemaakt. Zoals iedereen weet is solliciteren een dagtaak. En daar heeft u helaas geen tijd meer voor, ook al bent u nog zo intelligent.

Natuurlijk is dat geen fijne situatie. U ontvangt nog net genoeg geld om uw kinderen te kunnen verzorgen. Maar u moet wel goed luisteren naar de manager en niet klagen, anders wordt u gekort. Als de kinderen vragen om zakgeld of als ze worden uitgelachen vanwege hun armoedige kleding, dan moet u steevast antwoorden dat dat best meevalt. Die jas of die trui kan nog best wel even mee.

Wat wordt er verder van u verwacht?

Het is zaak dat u de ‘vernederende werkzaamheden’ gelaten aanvaardt. Het heeft absoluut geen zin kwaad te worden, of jaloers op mensen die wel op vakantie gaan. Die hebben gewoon iets meer geluk gehad, of beter hun best gedaan. En mocht u toevallig een gratis krantje openslaan en lezen dat de bankmanagers er met miljoenenpremies vandoor zijn gegaan. Dan heeft u helemaal gelijk als u zegt dat dat niet helemaal eerlijk is. Zeker als die managers nog in Nederland wonen en niet meer hoeven te werken. Maar een ieder in ons land dient zich aan dezelfde wet te houden. Dat begrijpt u ook. Anders wordt het hier een rommeltje. En dat hebben die managers nu eenmaal gedaan. Geld terugvorderen is  hier helaas niet mogelijk.

Waar u wel voor moet waken is dat u niet in de drugs of criminaliteit belandt. Het kan na enige jaren bijstand weleens voorkomen dat mensen bezwijken en dan het verkeerde pad op gaan. Dan moet u zich er terdege van bewust zijn dat zoiets in onze samenleving niet wordt geaccepteerd. U kunt wel gaan stelen en roven om aan geld te komen, maar daar zal absoluut een stokje voor worden gestoken. Sterker nog: men zal u veroordelen. Diep minachten. Met de aderen in de nek zal er schande over u worden gesproken. Geen straf is zwaar genoeg! Sommigen zullen schaamteloos om herinvoering van de doodstraf roepen. Een enkeling zal zijn woede niet meer de baas kunnen en er gewoon een beetje van moeten huilen. Zo woedend zal de bevolking zijn. En op televisie zal de staatssecretaris van veiligheid en Justitie zijn kans zeker niet voorbij laten gaan en verklaren dat hij er alles, maar dan ook alles, aan zal doen om mensen zoals u zo lang mogelijk achter de tralies te krijgen. En te houden. De gevangenissen zullen speciaal voor mensen zoals u worden versoberd. Als u dat maar weet! Dus drugs en criminaliteit, beste uitkeringsgerechtigde, is absoluut geen oplossing.

Het enige dat u eigenlijk te doen staat, is uw lot aanvaarden. Eindeloos de nietjes uit de pagina’s halen. Kopiëren. Versnipperen. Schoenen poetsen. De beschaving lijdzaam ondergaan. En uw kinderen niets beloven dat u niet kunt waarmaken. Alleen dan bent u de samenleving zo weinig mogelijk tot last.

 

 

Richard Brand

 

Zondagsdienst

kazerne archipel

22-12-2013

 

Vanmorgen vroeg fietste ik zoals gewoonlijk op mijn racefiets naar Den Haag. Kazerne Archipel is de kleinste kazerne van de regio en is gelegen in een straat niet ver van het Vredespaleis. Ik was vroeg. De deur die normaliter op een kier wordt gezet door iemand van de afgaande ploeg zat nog op slot. Ik opende de deur, nam de trap. En nog in mijn fietskleding schonk ik mezelf in De Wacht een kop koffie in. Ik plofte neer in een fauteuil. De Wacht is de woonkamer van de brandweerman.

Langzaamaan druppelden collega’s binnen, pagers werden uitgeruild  –  de vijf collega’s van de zondagsdienst bleven over. Zondag doen we geen oefeningen, behalve de operationele werkzaamheden mag je zelf bepalen hoe je je tijd invult. De sfeer is ontspannen op de zondag, niets hoeft. We dronken koffie tot ver na achten.

De onderwerpen die in De Wacht vaak ter sprake komen, passeerden ook vanmorgen de revue: het waardeloze rooster van de laatste tijd, het gerommel in de organisatie, de verslechterde arbeidsvoorwaarden… onderwerpen waar ik normaal gesproken mijlenver vandaan blijf, maar deze keer niet. En we dwaalden af. Het gesprek belandde bij de oorlog in Syrië, de strijd tussen de soennieten en de sjiieten. Iemand zei: ‘Ja, die moslims zijn nou eenmaal gewelddadiger dan christenen. Waar moslims zijn daar is oorlog.’ Ik vroeg: ‘Maar de grootste massaslachting heeft toch hier in het Westen plaatsgevonden, in de Tweede Wereldoorlog?’

‘Ja, maar dat was gewoon landjepik,’ antwoordde mijn collega hoofdschuddend.

‘Natuurlijk,’ zei ik, ‘landjepik, vanwege raciale motieven. De Tweede Wereldoorlog was in essentie een raciale oorlog, met als grondslag het sociaal darwinisme. Het gevecht om de statenverdeling vond in feite al in de Eerste Wereldoorlog plaats.’

Toen ik even later stond te douchen vroeg ik mij af waar ik me in hemelsnaam mee had bemoeid. Veel tijd om me dat af te vragen kreeg ik echter niet. Voordat ik me kon afdrogen volgde een alarmering:  Frontale aanrijding, adres

Het viel alles mee. Iemand in beschonken toestand stond inderdaad met zijn auto op een tegenligger. Veel blikschade, maar geen gewonden. Niemand bekneld. Omdat er boven het stuur een flinke barst in de voorruit zat, werd de bestuurder ter controle meegenomen door het ambulancepersoneel. Achter mij hoorde ik een collega fluisteren: ‘Nou die kan wel naar zijn rijbewijs fluiten.’

Het is nu alweer tien uur geweest en ik zit aan mijn bureau. Elke vezel in mijn lijf verzet zich om de CBS-rapporten van vandaag in te gaan voeren. Geestdodend werk. In mijn pager staan de incidenten van vandaag te lezen: Frontale botsing, Helikopterlanding Westeinde Ziekenhuis, Liftinsluiting, Openhaardbrand (bleek in de kruipruimte), Brandmelding studentenhuis (aangebrand pannetje, een hele etage onder de rook), en zojuist een Wateroverlast.

Ik check mijn mobiel. Mijn vrouw heeft me een WhatsApp gestuurd, ze heeft de stem van mijn zoontje opgenomen. Ik luister hoe mijn zoontje met zijn mooie ministemmetje meerdere malen om ‘Papa’ roept.

Dan voer ik de CBS-rapporten in en schrijf dit stukje. Terwijl ik dat doe vraag me serieus af waarom ik dit eigenlijk opschrijf. Wie boeit het? Maar dan weet ik het weer. Cultuur is wat de mens voortbrengt; ideeën, gebouwen, sinterklaasliedjes, dildo’s, bouwgereedschap, alles. Deze tekst is net als een dildo een menselijk voortbrengsel: gewoon cultuur.

 

Fijne kerstdagen.

 

Richard Brand

 

Perfectionistisch

perfectionisme

 

16-12-2013

Laatst in een café nam ik op een barkruk plaats aan de bar. Ik bestelde een biertje, leunde op twee ellenbogen en wachtte rustig tot de vriend zou arriveren waarmee ik had afgesproken. Niet ver bij mij vandaan zaten twee dames van middelbare leeftijd aan een tafeltje, ze waren verwikkeld in een verhit gesprek. Onbedoeld kon ik meeluisteren. Een van de twee dames vertelde dat haar dochter maar geen verkering kon krijgen. Ik hoorde haar zuchten en toen bracht ze uit: ‘Ze is gewoon te perfectionistisch.’

Perfectionistisch.

Als jonge jongen lurkte ik steevast aan de colafles. Tot die ene keer dat ik halverwege de eerste slok iets in mijn keel voelde kriebelen dat er absoluut niet thuishoorde. Ik hoestte, rochelde, tot de oorzaak van het gekriebel voor mij op de grond terechtkwam. Het was een spin die in de fles was gekropen. Zo is het ook met perfectionisme: het hoort er niet thuis, het moet eruit.

Ik heb P-woord even nagezocht. Google: ‘Iets perfect, zonder fouten willen doen.’ En, ‘Het ideaal nastrevend.’ Het Groene woordenboek: ‘Streven naar volmaaktheid, iemand die naar perfectie streeft.’

Oké dus.

Het klinkt aangenaam. Perfectionistisch. En natuurlijk is het heel normaal dat men af en toe – sommige mensen misschien op dwangneurotische wijze – naar perfectie streeft. Maar vermoedelijk gebeurt dat niet zo vaak als dat naar het P-woord wordt gegrepen. Het heeft namelijk een erg positieve bijklank. Een bijsmaak. Perfectionisme komt goed van pas. Degenen die zichzelf, of hun zielsverwanten, met dit woord bestempelen komen er naar mijn mening niet bekaaid vanaf. Ze zijn zo perfect dat het anderen niet lukt hen bij te houden in hun perfectie. Ze zijn niet alleen perfect: ze zijn ‘te’ perfect.

Ik stel voor, om misverstanden in de toekomst te voorkomen, het woord totaal te schrappen. Ik zal persoonlijk het comité van de Dikke Van Dale een verzoek sturen het woord te verwijderen uit het woordenboek en zo te verbannen uit het Nederlands taalgebied. Het woord wordt misbruikt: we moeten het boycotten.

Mocht u geen verkering kunnen krijgen, te veel zuipen, ergens voor afgewezen worden, of heeft u onlangs toevallig uw gezin om zeep geholpen. Dan bent u niet perfectionistisch. Dat woord bestaat namelijk niet meer.

Ik bestelde nog een biertje. Mijn maat was wat laat. De dame aan het tafeltje hoorde ik even later enthousiast vertellen dat ze samen met haar dochter per 1 januari aan een Sonja Bakkerdieet gaat beginnen.

 

Richard Brand

 

Haagse AD Grunberg & Brand

artikel AD 001        008_RGV1QU_20131217_ADN02_00_lo

14-12-2013

 

Vrijheid

karel appel

11-12-2013

Hoewel mijn vrouw en ik vandaag een beetje ziek waren, besloten we aan het einde van de middag even naar het Stedelijk Museum Schiedam te gaan. Vandaag en morgen is vanwege een verbouwing de entree gratis. Het Stedelijk Museum Schiedam staat bekend om haar naoorlogse kunst.

We betraden de entreehal die volledig was leeggeruimd. Aan een achtergebleven tafeltje zat een jongedame. ‘In de rechter toren is de tentoonstelling van Ronald de Bloeme, Daan van Golden, en Vanderheyden,’ zei ze vingerwijzend, ‘en in de linker toren is de tentoonstelling “Ik Hou Van Holland”‘.

‘Ik hou niet van Holland,’ fluisterde ik in het oor van mijn vrouw en we sloegen rechtsaf. In de eerste zaal troffen we een effen geel gekleurd doek aan, een schilderij. We moesten iets te hard lachen, maar gelukkig was het vrij rustig in het museum. De andere schilderijen op deze afdeling waren van eenzelfde orde: eenkleurig, gevlekt, gestippeld, sommige doeken waren beplakt met triviale materialen, zoals de resten van plastic verpakkingen en bedrukt karton.

Even later zag ik mijn vrouw bij een serie kleine kunstwerken stilstaan, ze lachte schamper en mompelde: ‘… dit zou evengoed een project van een lagere school kunnen zijn’. Daarna bevonden we ons even in een kleinere zaal, een statig ornamenteel plafond. De huur van zo’n ruimte zou normaal gesproken onbetaalbaar zijn, bedacht ik me. Er hingen twee kleine abstracte schilderijen tegenover elkaar, die ik op de markt absoluut voorbij zou lopen. In de traphal op weg naar de bovenste etage merkte mijn vrouw op: ‘Het stinkt hier naar poep!’ Als de kunst je niet lief is, dan kun je in het Stedelijk Museum Schiedam altijd nog even van je vrouw genieten.

De rechter toren: Ik Hou Van Holland. Onmiddellijk werd duidelijk dat we aan de verkeerde zijde van het museum waren begonnen. Hier hedendaagse kunst. Conceptuele kunst. In alle vormen en maten. Schilderijen, foto’s, die verwarring stichten. Verwonderen. Shockeren. Korte films die je even wegslepen uit het dagelijks ritme. Beeldend, aangrijpend, soms minder mooi, maar steeds verrassend. En eigentijds. De kunst is niet dood!

We arriveerden op de bovenste etage: de Cobrakunst. De Cobragroep betrof een aantal kunstenaars die na de oorlog niet meer geloofden in de westerse beschaving en haar verworvenheden, ze wierpen alle conventies af. Ze zochten naar inspiratie in kindertekeningen, werk van geesteszieken, tribale culturen. Karel Appel, Eugène Brands, Constant, Lotti van der Gaag, Lucebert, Anton Rooskens, Theo Wolvecamp, Corneille …  In de linker toren van het Stedelijk Museum in Schiedam rivaliseren ze om de ware vrijheid. En je hoeft geen kunstkenner te zijn om te zien dat dat ze aardig lukt.

De Wilde Jongen van Karel Appel brult het hardst: Vrijheid!

 

Richard Brand

Stiekem gedanst

Royals Lorde

28-11-2013

Normaliter als het liedje Royals van Lorde op de radio klinkt, dan kijken mijn zoontje en ik elkaar aan – hij laat spontaan zijn blokken of speelgoedauto vallen – pak ik hem op en gaan we dansen. Slowen. Op de maat van de muziek deinen we rustig door de woonkamer. Ik brom de zangtekst mee. Over zijn gezicht daalt een zweem van tevredenheid neer, alsof hij op het achterdek van zijn denkbeeldige jacht een oceaan overziet. Als we klaar zijn kan hij nog minuten lang voor zich uit zitten staren. Momenteel zijn mijn vrouw en zoontje voor een paar dagen naar Drenthe. Maar toen vanmiddag de intro van Royals door de woonkamer schalde, was er geen haar op mijn hoofd die eraan dacht om onze jonge traditie overboord te gooien. Ik zag hoe mijn zoontje zijn blokken liet vallen. En we hebben zoals anders gewoon gedanst.

 

Richard Brand

Primitivisme

oud stadsbeeld

26-11-2013

 

In de Volkskrant van vandaag stond een interessant artikel getiteld: Schilderswijk, samen voor ons eigen. Daarin constateert historicus Diederick Klein Kranenburg (niet meteen op zijn voornaam veroordelen) dat het cliché – de transformatie van gezellige volksbuurt tot beruchte achterbuurt – niet klopt. Bij het Centre for Modern Urban Studies richt hij zich op de geschiedenis van de Schilderswijk in de periode 1920-1985.

Een aantal citaten uit het artikel:  Maar anders dan ook veel oud-bewoners aannemen, heeft de Schilderswijk nooit een homogene, hechte gemeenschap gevormd waar iedereen altijd voor elkaar klaarstond. (…) Er was burenhulp, maar juist de armsten konden op de minsten hulp rekenen. (…) Zo romantisch heeft het vroeger althans niet gefunctioneerd.

Kranenburg toont in zijn onderzoek aan dat de verwachtingen die het kabinet momenteel heeft van de participatiesamenleving niet op het verleden kunnen zijn gebaseerd. Of Kranenburg gelijk heeft, dat weet ik niet. Maar bij het laatste citaat moest ik denken aan een tekst die ik las in een studieboek over expressionisme. Ik heb het even teruggezocht: het betreft een onderzoek uit 1935 van O.Lovejoy en George Boas: Primitivism an related ideas in antiquity.  O.Lovejoy en George Boas onderscheidden vier vormen van primitivisme:

1. Het chronologische primitivisme houdt in dat het vroegste stadium van de menselijke geschiedenis het beste was.

2. Het cultureel primitivisme beweert dat alle toevoegingen aan de ‘natuurlijke’ staat van de mens schadelijk zijn geweest.

3. Het harde primitivisme behelst de opvatting dat de mens het gelukkigst is als zijn leven niet bezwaard wordt door kunsten en wetenschappen en hij slechts leeft met de meest noodzakelijke benodigdheden die hij van moeder natuur heeft meegekregen.

4. Zacht primitivisme wil zeggen dat het beste leven een leven zonder hard zwoegen is: leven op vruchtbare bodem in een zacht klimaat omringt door vriendelijke dieren en een zee vol makkelijk te vangen vis. (mijn vrouw is een zacht primitivist)

In het studieboek staat ook te lezen: ‘Primitivisme’ in de zin van een nostalgisch verlangen naar een verloren gegane samenlevingsvorm waarin het leven minder gecompliceerd was en bepaalde menselijke waarden beter gewaarborgd waren dan in de eigen tijd, duid op een universele menselijke eigenschap die zich in de loop van de geschiedenis in een breed scala van uitingen heeft gemanifesteerd.

Welnu, met deze informatie kan ik verder. Het voorbeeld van Kranenburg is herkenbaar. In vele andere wijken in Nederland is het niet veel anders gesteld. Mensen klagen, en ook vaak terecht. ‘De wijk is slecht,’ zeggen ze.’ Het land verslechtert. Vroeger was het toch beter.’ Maar dat laatste klopt dus niet helemaal. Dat idee blijkt een universele menselijke eigenschap. Een droom. Een illusie. Een wens. Wellicht een collectieve afwijking?

We zijn opzoek naar een verloren paradijs dat nooit bestaan heeft. Het originele, de bron, het pure. Maar was het werkelijk zo mooi? Lijden we niet aan primitivisme waar politici handig op inspelen?

Gister was niet zo rooskleurig, morgen is even goed.

 

Richard Brand