Bedelen

 

5-9-2017

Wel vaker lig ik in de kazerne op tijd op bed, wat te lezen of surfen op internet. Tegen mijn gewoonte in zette ik gister de televisie eens aan. In Nieuwsuur ging het over de spanningen tussen de VS en Noord-Korea. Een Amerikaanse woordvoerster zei dat Noord-Korea bedelt om oorlog. Een mooie uitspraak, vond ik dat: bedelen om oorlog. Er wordt veel gebedeld in de wereld: om geld, om baantjes, aandacht, seks. Maar om oorlog had ik nog niemand zien bedelen. Kim Jong-un de oorlogsbedelaar. Oorlog als aalmoes. Zou de VS als weldoener nu graag een muntje in de hoed willen werpen, vroeg ik me af? En juist op dat moment ging het kazernealarm af. Op de pager stond te lezen: ‘Assistentie ambulance, afhijsen patiënt…’ We rukten uit met een Prio 1, zoals dat heet, met sirenes dus. Beneden aan de flat aldaar stond een agent, die ons de juiste ingang wees. Het was op de een na hoogste etage waar we zijn moesten. Daar, in een niet al te ruime woonkamer, zaten verschillende ambulancebroeders voorovergebogen op de vloer. Tussen hen in lag een vrij grote man die alleen een onderbroek aan had. Halfgeopende rooddoorlopen ogen, het stonk er naar stront. ‘Een overdosis…’ zei een ambulancebroeder fronsend. Ik keek naar het enige bruikbare raam in de voorgevel, waardoor zo dadelijk de man zou moeten worden afgevoerd. We haalden gezamenlijk wat kasten en vazen en andere spullen opzij, om zo ruimte te creëren voor de brancard. Het raam werd geopend, de raamuitzetter losgeschroefd. Hier en daar op de vloer lag een veeg stront, dus we moesten nog uitkijken dat we niet uitgleden. Tussen het rumoer en de werkzaamheden door, viel mijn oog opeens op iemands klokkenspel, slaphangend – zag ik het goed? In de hoek van de kamer bleek een man te zitten, naakt, vrij mager, wijdbeens op de hoek van een tafel. Hij staarde verslagen naar de man op de grond. Enkele minuten later verdween de brancard met de patiënt erop door het raam. De hoogwerker zette hem in een rustige knikbeweging beneden op straat neer. Waarna hij in de ambulance werd gedragen en de deuren gesloten. De ambulance reed de straat uit. Daarop borgen wij de stempelplaten van de hoogwerker op, en verlosten ons van de plastic handschoenen. Laarzen werden met hogedruk afgespoten. Terloops hoorde ik een agent zeggen, dat het een seksdate betrof en dat de recherche al onderweg was. We reden de straat uit. Onderweg vertelde een collega vermakelijk dat hij op het bed, zeker wel tien dildo’s had zien liggen, tien dildo’s. Terug op de kazerne deed ik de televisie uit en ging naar bed. In het donker dacht ik nog even aan Noord-Korea. Aan het bedelen om oorlog. En aan de uitruk van zojuist. In gedachte zag ik even een wereld vol bedelaars voor me. Toen viel ik in slaap. Maar een uur later werd ik gewekt voor een autobrand. Toen ik daarvan terugkwam, was het inmiddels kwart voor twee. De wekker stond op tien over zes. Tijd om te slapen.

Iets van geluk

 

2-9-2017

Bijna wanhopig is de Prakkiseur opzoek naar iets van geluk. Hij zoekt geluk, al was het slechts een greintje. Maar hij kan het niet vinden. Boven een nevelig meer zag hij vanmorgen de zon opkomen, zo schitterend. Het was gewoon een spektakel om te zien, nota bene van vanachter zijn eigen slaapkamerraam. Toch, hoe langer hij keek, naar die zon, naar de nevel; het kwam hem eigenlijk voor of hij naar een aflevering van National Geographic stond te kijken. Mooi was het natuurlijk, zeker die vogels erboven in de lucht. Maar geluk was toch iets anders. Geluk zat hem niet in een uitzicht: niet zijn geluk, niet het geluk van de Prakkiseur. Daarom stapte hij op de fiets en fietste zo hard hij kon naar het centrum van de stad. Als een jonge jongen trapte hij de poten uit zijn lijf, onbekommerd. De Prakkiseur fietste of hij zijn jeugd inhaalde. Alleen al het idee gezond te zijn, dat zou gelukkig moeten maken. De Prakkiseur fietste het geluk naar zich toe. Als geluk niet naar hem kwam dan moest hij het maar gaan halen. Bloed pompte door zijn lijf, door zijn hoofd en aderen. De wind joeg in het gezicht. ‘Ik leef!’ riep hij nog. ‘Ik leef!’ Tot hij uiteindelijk bezweet, en duizelig van de hartkloppingen, bij de stoplichten zowat van zijn fiets af viel; hij botste per ongeluk tegen een andere fietser aan, die zich ternauwernood overeind wist te houden. Iemand begon te schelden. Nee, jong was de Prakkiseur niet meer. Helaas. Die conclusie kon nu wel worden getrokken. Maar waar bleef het geluk? Waar verschool het zich? Hij voelde zich alleen maar rillerig en draaierig en leeg. Nadat hij zijn fiets met bevende handen op slot had gezet, en een eindje rustig had gewandeld door de winkelstraten, ging het wel weer. Hij voelde zich langzaam opknappen. Niet meer zo draaierig, niet meer leeg. De zoektocht naar geluk kon voorzichtig worden hervat. Al was het maar vluchtig geluk. Beter iets dan niets. Vrij spontaan kocht hij een nieuw horloge, bij de juwelier. Misschien een impulsaankoop, oké, maar al een tijdje wilde hij eigenlijk een ander horloge. Een sportief model. Hij liep ermee door de stad, hij keek er diverse keren op. Het tikte, het was mooi. Tot het opeens bijna leek of hij het al jaren droeg. Het horloge wendde, het wendde te snel. Dus hij kocht een mooie broek voor zichzelf, een ripfluwelen broek, en schoenen ook. En een hip colbert erbij. Het colbert stond hem buitengewoon goed, vond ook de verkoopster. Dit kon hij nog best hebben. Inderdaad: eigenlijk was de Prakkiseur van zichzelf wel redelijk hip. Al die jaren had hij zich misschien toch te oubollig gekleed. Door de winkelstraten ging hij nu in zijn nieuwe outfit; hij was alweer bijna bij zijn fiets. Geluk lag op de loer, het was voelbaar. Misschien lag geluk altijd al op de loer. Je moest het alleen zien te grijpen. En dat deed hij nu: hij had het geluk bijna te pakken. Toen rende er opeens een kleine jongen voorbij, van hooguit een jaar of twaalf, met hetzelfde colbert aan. En vlak daarna toevallig een vrouw, of eigenlijk nog een meisje, die ook zo’n colbert droeg. Precies dezelfde. Het stond hen beiden best heel goed. De Prakkiseur eindigde tenslotte in een buitenlands tentje; bij nader inzien, een smoezelige shoarmazaak. Daar zit hij nog. Hij heeft honger gekregen. Met een lege maag naar huis fietsen lijkt hem niet verstandig. Als de liefde van de man dan zogenaamd door de maag gaat, waarom ook geluk niet? Het is het proberen waard. Een eenvoudig broodje shoarma bestelt hij. Maar het opgediende Pitabroodje blijkt duidelijk niet lang genoeg in de oven te hebben doorgebracht. Het is bleek, is droog. Bij het eten breekt het in honderd stukjes uiteen. De Prakkiseur eet zonder klagen alles op. Hij is geen klager. Hij zit daar een poosje, drinkt nog een sinaasappelsap. Aan een tafeltje verderop heeft een man plaatsgenomen, die juist eenzelfde broodje krijgt voorgeschoteld. Even krijgt de Prakkiseur de neiging de man te wijzen op het bleke, ongare broodje. Maar hij zwijgt. Vrijwel bij de eerste hap verbrokkelt het broodje in de grote handen van de man; de mond hapt haastig heen en weer teneinde de boel redelijkerwijs binnen te krijgen, voordat alles uiteenvalt. En ja, daar is het dan, plotseling! Alsof het met een injectiespuit bij de Prakkiseur wordt ingespoten: geluk. Een overdosis. Pitabroodje als veroorzaker. De Prakkiseur begint over zijn voorhoofd te wrijven, hij zweet, begint zelfs te schudden. Radeloos in zijn ogen te wrijven. Geluk sijpelt bij de Prakkiseur opeens uit zijn ogen. Snel weet hij af te rekenen en de shoarmazaak ternauwernood te ontvluchten. Hij snelt de straat uit, met het geluk op de hielen. Eenmaal om de hoek kan hij zich nu volledig laten gaan, het opgekropte geluk mag eindelijk exploderen, eindelijk een uitweg vinden. Maar het is weg. Zo snel als het kwam, is het alweer verdwenen.

Keuze

15-8-2017

Met de handen op de rug schuifelt de Prakkiseur in zijn vertrouwde zogenaamde onbekommerde tempo over een pad, dat hij al minimaal duizend keer heeft bewandeld, maar dat hem telkens weer anders voorkomt, omdat hij de bomen, de bladeren, de bloemen elke dag een beetje ziet veranderen. Het is steeds een ander pad, een andere wandeling. Als hij, bijna als geautomatiseerd, op een bankje gaat zitten, om zo een poosje voor zich uit te kijken over de uitgestrekte velden aan de overzijde, merkt hij pas, dat aan het andere eind op het bankje ook al iemand zit. Is hij zo afwezig? Een man van op het oog eind veertig, houdt de handen gestrekt tussen de knieën en maakt een licht repeterende beweging, staart voor zich uit. Beiden mannen zitten daar een poosje te zitten, de Prakkiseur en de vreemdeling, en te luisteren naar een bijna onhoorbare wind, wellicht in de hoop dat de ander schielijk opstaat en vertrekt, zodat de vertrouwde discretie van de eenzaamheid kan wederkeren. Dan opeens zegt de man, aldoor voor zich uit kijkend: ‘Denkt u dat er een keuze is… hebben we iets voor het zeggen… als ik het u vragen mag, denkt u werkelijk… dat we ergens in een keuze hebben?’ Nu wel keek de man de Prakkiseur even aan, vrij zorgelijk, en hij vervolgt zijn repeterende beweging alweer. ‘U vraag was min of meer een keuze, neem ik gemakshalve aan…’ antwoordt de Prakkiseur wat kortaf. Hij vindt het onbeleefd om volledig te zwijgen, hoewel hij het liever zou doen. ‘… en mijn antwoord is weliswaar ook zeker niet verplicht,’ vervolgt hij dan maar. Hij kucht in zijn hand, ten einde het gesprek op een natuurlijke wijze te beëindigen en niet al te lomp af te kappen. Eigenlijk wil hij onmiddellijk gaan, zijn wandeling voortzetten. Maar… opkomende nieuwsgierigheid dwingt hem nog even op de bank te blijven. Waarom koos de man hem deze vraag te stellen, over de keuzevrijheid – betreft dat niet een contradictie van jewelste? Na een paar seconden al begint de man zacht voor zich uit te mompelen: ‘… begin veertig was ik al,’ zegt hij, ‘toen ik mijn huidige vrouw ontmoette, begin veertig… We wilden allebei graag een kind. Op de valreep, ik zeg het… want ik was al begin veertig… mijn vrouw eind dertig. Na een paar jaar lukte het pas, wonderbaarlijk … uiteindelijk lukte het, gelukkig. We hebben een prachtig kind, van alweer vijf jaar…Maar niet lang na zijn geboorte kwam mijn vrouw met het voorstel om een tweede te nemen. Het tenminste te proberen. Een tweede! Dat trok ik even niet. Midden veertig was ik inmiddels. Helemaal gesloopt van de gebroken nachten… en het werk… de strontluiers… Allemachtig, die strontluiers…laten ik het daar maar niet over hebben… Ik preekte dat we echt blij mochten zijn, dat we een kind hadden, dat zei ik, waarom een tweede…? Waarom? Wees toch blij met wat je hebt… niet? Er kon van alles misgaan ook… We waren tenslotte al op leeftijd… Gelukkig gaf mijn vrouw het uiteindelijk wel toe, ze zag het in: ik had een punt… We waren op leeftijd. Uiteindelijk besloten we het er dus bij te laten. Eén kind was mooi. We genoten van wat we hadden, en we genieten nog steeds. Een duidelijke keuze hadden we gemaakt.’
De man knikt vastbesloten. Neemt even de tijd, zucht. En gaat weer verder.
‘Gek genoeg zat ik er laatst aan te denken… ik begon onwillekeurig te piekeren, weet u, zo maar… Ik dacht: ja, wij zijn wat ouder natuurlijk, behoorlijk wat ouder, en stel, dat we over pakweg twintig of vijfentwintig jaar, allebei wegvallen, of misschien al eerder. Dat is goed mogelijk. Je hebt het niet voor het zeggen… Met wie moet die jongen dan straks zijn herinneringen delen? Verdomme, verdomme, het begon aan me te knagen. En… ja, toevallig, dit weekend hadden we vrienden op bezoek… En alsof het zo moest zijn, vraagt een vriend aan mijn zoontje: wie slaapt er onder jouw bed jongen, een vriendje of een vriendinnetje misschien? Mijn zoontje heeft een hoogslaper, weet u, met een glijbaan eraan vast, en daaronder hebben we voor logees een extra matrasje neergelegd… Enfin, dat kleine mannetje staat daar, hij kijkt omhoog; naar de vriend die op een antwoord wacht. En met zijn mooie kinderstem, zegt hij zo goed mogelijk: ‘Luister… ik heb geen broertje of zusje, ik ben alleen. Dus soms slaap ik onder en soms slaap ik boven…’
Oké, die hakte erin, dat begrijpt u.
De volgende dag, het zat me toch niet lekker, neem ik hem even apart, en vraag die kleine jongen op de man af: zou je dan graag een broertje of zusje willen hebben?’ Abrupt volgde zijn antwoord: ‘Ja, dat wil ik altijd, Papa, dat wil ik al altijd…’
De man op het bankje staart naar de grond en zegt niets meer. Moet de Prakkiseur nu over keuzes gaan beginnen, over de schakelketting van beslissingen, et cetera: het lijkt hem geen goed idee. Dus hij zwijgt een poosje mee, luistert naar de bijna onhoorbare wind. De man komt overeind, kijkt even over de velden. Knikt dan naar de Prakkiseur en begint langzaam te lopen. Over het pad. De Prakkiseur kijkt hem na. Tot hij volledig uit zicht is verdwenen. Dan pas komt ook de Prakkiseur overeind, en vervolgt zijn wandeling.

Ontmoeting

11-8-2017

Hij staat in het Mauritshuis, op de tweede etage, recht voor het schilderij dat hij al jaren wilde zien. Waarom? Hij wist het ook niet precies, al die jaren heeft hij het niet geweten, niet bewust althans. Het leek intuïtie, een achtervolgingswaanzin, een vreemdsoortige aantrekkingskracht, een verlangen, dat hij niet goed kon plaatsen. Maar hij was zeker niet de enige, welnee, miljoenen mensen gingen hem voor en miljoenen anderen zullen hem nog volgen. Alleen – vroegen zij zich ook allemaal af waarom zij er per se heen moesten gaan, naar dat schilderij, dat doek, of gingen zij eenvoudigweg omdat het mooi is? Daar lag nu juist het verschil tussen de massa en de Prakkiseur: hij volgde zijn eigen gedachten en niet die van anderen. Hij ziet hoe de mensen komen aanlopen, aan druppelen, van heinde en verre, ernaartoe worden getrokken, als het ware gezogen. Tot ze er uiteindelijk voor staan. Pal voor haar. Dan onmiddellijk die blikken, verstild, overmand, soms ronduit verbaasd, door de tijdreis die ze lijken te maken zonder het zelf door te hebben. Wat ondergaan ze? Wat gebeurd er? De Prakkiseur weet het nu met zekerheid, hij ziet het voor zich voltrekken, in die starende pupillen. De werelden vallen uiteen, verbrokkelen. Beurtelings komen ze erachter dat de dood niet per se het einde hoeft te zijn. Er is uitzicht. Het Meisje met de Parel veroorzaakt het, ze bewijst het: tijd kan wel degelijk worden overbrugd. Eeuwen kan men overbruggen. Kijk maar. Er is werkelijk glashelder oogcontact, met een meisje van eeuwen geleden. En wat voor eentje, wat een schepsel! Je ziet het de mensen denken, je ziet hoe ze halsoverkop worden ingepakt. Het overkomt ook de Prakkiseur: hij is opslag verliefd. Ja ja, hij zal het niet ontkennen. Valt het te ontkennen? Dit is ware liefde, door God almachtig geschonken. Hier komt geen centje geiligheid aan te pas. Geen centje. Zij versiert hem gewoon, de doerak, ze pakt hem in. En al die andere mensen worden ook versierd, mannen en vrouwen, stuk voor stuk worden ze ingepakt. Zij schenkt hen waar ze voor komen, waar ze voor af zijn gereisd, en zij kijkt alleen maar. De Prakkiseur is erachter waarvoor de mensen komen. Ook dat ziet hij. Het is puur de hoop, om niet te sterven – nooit echt te hoeven sterven. Tijd kan worden overbrugd. Daarom komen de mensen. Massaal. Om de tijd te overbruggen. De Prakkiseur ziet het gebeuren, het overkomt hem. Hij zal voor altijd leven en tegelijkertijd voor altijd langzaam sterven. Ouder zal hij niet worden. Ook het meisje zal niet meer ouder worden. Ze zal altijd zo blijven, zoals hij haar heeft ontmoet. Want zij hebben elkaar juist ontmoet: het meisje en de Prakkiseur. Dat kan niet meer worden teruggedraaid. De Prakkiseur slaat zijn ogen neer, en verlaat tenslotte het gebouw. Hij kijkt niet achterom, niet terug naar het Mauritshuis. Hij hoeft het niet te zien. Hij zal er altijd blijven.

Lezen

5-8-2017

Met haast komt de Prakkiseur thuis aanzetten, sluit de deur zorgvuldig achter zich. ‘Af!’ roept hij direct naar de hond, die hem verwelkomt en blij tegen hem opspringt. ‘Ga af!’ en hij wijst het dier streng zijn plaats in een hoek. Dan eindelijk bij de fauteuil aangekomen, frommelt de Prakkiseur ongeduldig het verpakkingspapier van zijn juist aangekochte zelfgeschenk. De mens mag de ander dan eens graag verwennen, zichzelf moet hij natuurlijk ook niet vergeten af toe te kietelen. En vandaag kietelt de Prakkiseur zichzelf optimaal. Het is een zwaar in donkerbruin leer gebonden exemplaar: over de vroeg Chinese en Oost-Mongoolse grotfilosofen. Een juweel van een standaardwerk. Gretig en tegelijkertijd nog wat voorzichtig begint hij te bladeren, snuift even door de vers geperste bladzijden, hij zucht, wat een heerlijke ontdekkingsreis zal dit gaan worden, hij zal zich onderdompelen in de geschiedenis van deze nog vrijwel onontdekte wijsbegeerten, dwalen door de ideeën, zich laten inspireren, ware luchtkastelen zal de Prakkiseur dadelijk gaan bouwen, verbanden leggen met andere stromingen, en wellicht, als het hem gegund is, zal hem zelf een oorspronkelijke gedachte ten deel vallen, die misschien wel de moeite van het opschrijven waard is; een gedicht, een verhaal, misschien zelfs wel een hele bundel. Wie zal het zeggen. De deurbel gaat. De Prakkiseur kijkt even star voor zich uit. Hij hijst zich uit de fauteuil en begeeft zich naar de voordeur. Daar treft hij de buurvrouw, warempel in ochtendjas, de wind waait wild door haar haren. Ze kan niet verhinderen dat juist de ochtendjas een stukje openwaait. ‘Oei! Nee…!’ Moeizaam probeert ze de ochtendjas bijeen te houden, slaagt daar maar gedeeltelijk in. Ze moet er zelf een beetje om lachen en ze houdt een beker voor zich uit. ‘Heeft u misschien wat suiker voor me…’ vraagt ze, en ook daar moet ze om lachen. ‘Moment,’ de Prakkiseur maakt daarop een kort stopteken, en sluit onmiddellijk weer de deur. In de keuken gaat hij snel opzoek naar iets van suiker. Zelf gebruikt hij geen suiker, hij drinkt zijn koffie zwart. Onderin de kast vindt hij gelukkig een ongeopende zak suiker. Vermoedelijk wel over de datum, maar goed. ‘Hier kunt u voorlopig mee vooruit,’ zegt hij tegen de vrouw voor zijn deur en duwt de zak in haar handen. Ook de Prakkiseur weet nu een kleine glimlach op zijn gezicht te brengen. Hij sluit en vergrendelt de deur zorgvuldig. Terug in de fauteuil streelt zijn hand genoegzaam over de kaft, de gouden gegrafeerde titelletters glanzen in het leer. Rustig opent hij het boekwerk. Hij leest. Eindelijk. Langzaam glijden zijn ogen langs de eerste intrigerende zinnen. Als de Prakkiseur nu niet gestoord wordt kan hij zo uren blijven zitten… Maar… de hond, begint een zacht jammerend gejank voort te brengen. Langzaam, heel langzaam wordt het janken wat luider, onrustiger, en uiteindelijk valt het gejank niet meer te negeren. ‘Stil nu eens even!’ brult de Prakkiseur stampvoetend. ‘Verdomme nog aan toe! Laat me nu eens even..!’ Woest kijkt hij opzij. En vreemd genoeg zakt de hond braaf neer op de vloer, stil kijkend naar zijn baasje. Hoeveel minuten er nu in volkomen afgezonderde rust verstrijken, weet de Prakkiseur niet precies, hij is zich er niet van bewust. Een wereld van Mongoolse- en oud Chinese filosofie opent zich voor hem, zelfs de oude verscholen grotten, waarin bebaarde filosofen met wandelstokken rondscharrelden, meent hij voor zich te zien, en horen, en ruiken zelfs. Totdat de Prakkiseur beseft dat het niet de oude filosofen zijn, die tot zijn zintuigen weten door te dringen. Nee: het is de hond, die gekromd voortkruipend door de woonkamer een spoor van stront neerlaat. ‘Nee! Nee!’ roept hij uit, ten einde het schijten te stoppen. Maar helaas: de hond is zo goed als klaar, en gaat alweer in de hoek van de kamer liggen – kijkend naar zijn baasje. In de keuken frommelt de Prakkiseur mopperend zijn hand in een poepzakje. ‘Mijn God, wat kan dat beest een stront produceren, mijn God! Dat is toch geen normale drol meer, dat zijn drie aaneengeregen drollen bij elkaar? Jij krijgt veel teveel voer, jongen, jij moet voortaan echt wat minder voer…!’ roept hij. En hij schraapt de eerst kleffe hap van de vloer, dan met hetzelfde zakje meteen de tweede, hij moet herpakken. Bij de derde hoop glipt zijn duim net buiten het zakje langs. ‘Bah!’ Met snelheid loopt de Prakkiseur naar de kraan. Hij wast zijn handen. Nadat hij de vloer heeft schoongemaakt, en zijn handen nog eens grondig heeft gewassen, die geur blijft er maar aan hangen, neemt hij opnieuw de route naar zijn fauteuil. Hij zucht. Hij kijkt naar het boek dat opengeslagen op de wijntafel ligt. Dat prachtige boek. Tot halverwege bladzijde drie is hij gekomen. Om er opnieuw in te komen moet hij eigenlijk van vooraf aan beginnen, dat is het beste. Twijfelend reikt zijn hand naar het boek… De Prakkiseur denkt nog even niet aan de filosofen, hij kijkt opzij naar zijn hond, naar de telefoon, naar de klok aan de wand die zacht tikt. Hij legt voorzichtig het boek op zijn schoot, en begint bij de eerste bladzijde.

Einde

 

12-6-2017

Zoals elke avond maakt de Prakkiseur voor het slapen gaan een lange wandeling. Daar knapt hij van op. Meestal loopt hij dezelfde vaste route. Maar nu eens besluit hij rechtsaf te slaan en een stukje polderlandschap mee te pakken. Zo maar een ander ommetje. Op een bepaald moment staat hij daar aan het begin van een voor hem nog onbekend, loodrecht pad, dat als een lange grijze loper voor hem ligt uitgerold. Tot zo ver het oog reikt kan hij kijken, maar hij ziet het einde niet eens. Hij begint maar te lopen, over het asfalt, er liggen hier en daar kiezels die soms onder zijn zolen knarsen. Met een beetje fantasie, denkt hij bij zichzelf, zou dit pad wel eens als een levenspad kunnen worden gezien. Door iemand met een grote verbeelding, iemand die in alle dingen wel iets symbolisch kan zien. Daarover hoeft de Prakkiseur niet in de war te zitten: hij heeft geen fantasie. Voor hem is het gewoon een lang recht pad in de polder. Aan de rechter kant ligt een brede sloot, gehuld in een rietkraag – links een uitgestrekt akker met lichtgroen opkomend graan, frisse jonge bladeren waar overheen een lichte goudgelige gloed. De lucht erboven is van een heiig soort blauw en er staat een zacht aangenaam windje. De zolen van de Prakkiseur stappen door, niet te snel en niet te langzaam. Gewoon lekker. Toch dringt de gedachte zich bij hem op dat hij hier door zijn jeugd heen loopt. Tien jaar is hij nu, vijftien, dan twintig… Vlotjes wandelt hij zo door de jaren. Hij ziet zichzelf onderuit in de schoolbanken hangen… haastig fietsen naar de discotheek… zijn eerste klunzige kus… En ondertussen boven de landerijen wordt de lucht langzaam donkerder, in de verte zakt de zon al half achter de bomen. Hij passeert links een drooggevallen greppel waarin boompjes wortel hebben geschoten, vanaf daar gaat het graan over naar een ander korter gewas: aardappelplanten in lange rijen. De aarde kleurt bruinrood. Wanneer zou ik bij mijn huidige leeftijd aankomen, vraagt hij zich toch stiekem af? Waar ligt het? Zijn benen lijken iets zwaarder te worden, het is al met al een behoorlijk eind. Aan beide zijden van het pad liggen twee enorme keien in het gras, hij loopt ertussendoor … En gevoelsmatig weet hij, ja nu, nu ben ik in het huidige tijdperk aangekomen. Een mooi moment om eens even achterom te kijken. Met de handen in de zijde en licht geknepen ogen kijkt de Prakkiseur naar de afstand die hij zojuist heeft afgelegd. ‘Wat heb ik al een stuk achter de rug,’ beseft hij, nu hij ergens halverwege staat. Vanaf hier ziet het landschap achter hem er wel een beetje anders uit. Een andere lichtinval natuurlijk, dat moet het zijn. Die oude schuur daar aan het begin, was hem niet eens opgevallen. Met een zucht draait hij zich om, veegt met zijn hand langs zijn voorhoofd. Hij wil al doorlopen. Maar iets in hem weigert om meteen verder te gaan. Nog even kijkt hij achterom. Naar het goudgele akker en de langzaam donkerende lucht. De zon is in een rode waas achter de bomen verdwenen. Een groep overtrekkende ganzen kan hij horen. Even voelt hij de neiging terug te gaan, maar nee: dat kan nu natuurlijk niet meer. Een beetje stram in de benen gaat hij verder, de lucht lijkt hier ijler, wat grijzer, wat minder kleur. ‘Ik moet mezelf natuurlijk niet gek gaan maken…’ mompelt hij, zich richtend op het einde dat nadert. Om zich heen kijkt hij nu niet meer, alleen voorruit. ‘Dit is fantasie… ’ mompelt hij. ‘Klinkklare fantasie…’Maar met een licht schokje in de borst, twijfelt hij plotseling om verder te lopen. Een gekke gedachte misschien, zo betrapt hij zichzelf, maar worden de meeste mensen niet ergens halverwege uit het leven gerukt? Nee, zo moet hij niet denken, die imbeciele gedachte moet hij onmiddellijk loslaten. Een langgerekte schaduw trekt over de akkers en het pad. De zon is nu helemaal onder. Hoewel de lucht stroperig dik lijkt, stapt de Prakkiseur stevig door. Hij focust zich op het einde van het pad, hij moet toch naar huis. In deze omgeving voelt hij zich niet goed, dit stuk is nog niet rijp genoeg om in te leven. ‘Ik moet aan andere dingen denken,’ mompelt hij. ‘Dit is psychisch, ik ben mezelf gewoon gek aan het maken …’ Wonderbaarlijk genoeg lukt het hem, hoe moeilijk ook, toch aan iets anders te denken: aan de dag van morgen, aan smerige seks denkt hij, aan de klusjes in huis die hoognodig moeten gebeuren, aan het legen van de vuilnisbak… Onvoorzien maakt het pad aan het einde een T-splitsing. Toch niet het einde. De Prakkiseur kan naar links of naar rechts. Hij twijfelt geen seconde, loopt door zonder op te kijken. Diep in gedachten verzonken gaat hij linksaf, het hoekje om.

Energie

4-6-2017

Met de handen op de rug wandelt de Prakkiseur door het stadspark, luisterend naar zijn eigen voortslepende voetstappen over het grind, en over het half verdorde gras… Hij is opzoek naar energie, ergens moet die toch te vinden zijn, de energie? Hij heeft haar altijd voor vanzelfsprekend gehouden, maar nu toch is zij ongemerkt langzaam uit hem weggelekt. Als een benzinetank is hij leeg geraakt. Leeg gesijpeld. Nieuwe brandstof is nodig om vooruit te komen, verder te gaan, zichzelf op een fatsoenlijke manier door de dagen te loodsen. Door de avonden. Uiteraard hoeft hij geen marathons meer te lopen, de Prakkiseur – daar moet hij niet eens aan denken. Ook een glansrijke carrière behoort niet tot zijn ambitie. Nee, een ‘haantje de voorste’ hoeft hij absoluut niet te zijn. Niet meer. Nooit meer. Maar graag zou hij enige bruikbare energie hervinden, hier in het park of verderop in de stad. Maakt niet uit waar. Al was het alleen maar om even helder te kunnen denken, de geest nieuw leven in te blazen, zijn ideeën een kans te geven. Verschillende dingen ondernam hij al, de Prakkiseur, in een poging de energie te herpakken. Drank natuurlijk. Dat hielp wel wat. Voor een avond voelde hij zich werkelijk als herboren. Als een ontsnapte gorilla had de Prakkiseur zich dronken op de borst staan trommelen: ‘I am back!’ riep hij luid, naar een stel toevallige voorbijgangers. ‘Yes, Look! I-am-back! Off course! I-am-back!’ wijzend op zijn aangezette borstkast. Maar de ochtend erna zou hij bijzonder moeilijk uit bed komen, hij kon eigenlijk een poosje geen daglicht meer verdragen. Nee, in de drank vond de Prakkiseur geen energie, eerder had hij daardoor juist aan kracht moeten inboeten. Nadat hij vervolgens een lange boswandeling had ondernomen (boslucht zou toch moeten baten) – waar hij helaas verdwaalde en uiteindelijk doodvermoeid in slaap viel op een picknicktafel diep in het bos – richtte hij zich dan maar tot een andere mogelijke energiebron. Een minder vergezochte. Eén die meer voor de hand lag: de mens. Sommige mensen bezaten nu eenmaal een schijnbaar aangeboren opgewektheid, waar je bijna jaloers op zou worden, en die zij misschien wel op een of andere wijze afstraalden op de mensen om hen heen. Dat werd wel eens beweerd. Niet alleen dacht de Prakkiseur daarbij aan charismatische figuren, zoals bijvoorbeeld artiesten of sommige topsporters, nee, ook aan de zogenaamde ‘gewone mens’ op straat, ja juist aan hen dacht hij. De mens in zijn nabijheid was soms ook uitgerust met een opvallend portie energie, waar hij weleens versteld van stond en waar vele anderen een puntje aan konden zuigen. Zoals ook hijzelf. Negatievelingen en doemdenkers werden daarom voortaan zorgvuldig door de Prakkiseur ontweken. Ook degenen die altijd maar mooi weer speelden en bij hem een weeïg onderbuikgevoel teweegbrachten zou hij behendig om de tuin leiden. En de eeuwig chagrijnige koppen… de overheersende figuren… en de alsmaar terugkerende discussiezoekers… de manipulerende slijmbakken… de aandacht opslorpende, tijdrovende zielenpoten daarbij niet uitgesloten… en de misleidende opportunisten… de bloedzuigers … Hij liep er voortaan met een boog omheen. Maar al met al, moest hij achteraf concluderen, bleven er niet heel veel mensen over die hem konden besmetten met energie. Slechts een enkele jolige Jip in een quasi-opgewekte bui; maar moest hij het daar dan van hebben; moest hij zich daar aan vastklampen? Dat leek de Prakkiseur een energieverslindende bezigheid.

Reeds vermoeid neemt hij plaats op het houten bankje naast zijn huis. De wandeling van vandaag zit erop. Twee pionrozen zijn tijdens zijn afwezigheid mooi uitgekomen, rood en fris wijzen ze naar de zon. Boven in de boom zingt hoog een merel. De Prakkiseur sluit zijn ogen, hij hoort de wind, hij zucht. Hij ademt diep in – en zo lang mogelijk ademt hij uit. Hij ademt in … en weer langzaam uit. Zo blijft hij daar nog een poosje zitten.

Grand café

Afbeeldingsresultaat voor raadhuisplein emmen

2-6-2017

Gister heerlijk op het terras gezeten bij ‘Grand café Karakter’ aan het Raadhuisplein in Emmen. Daar staat momenteel tot behoorlijk laat in de avond nog de zon. We bestelden voor mijn vrouw een witbiertje en voor mijzelf een lentebokje in mooie glazen, we keken uit op het plein en maakten een praatje met de vriendelijke serveerster. ‘We zitten hier heel fijn hoor,’ gaf ik haar mee, ‘mis alleen nog wat leuke achtergrondmuziek…’ Daarop vertelde de serveerster dat muziek hier buiten helaas verboden is, en dat er ook geen plantenbak mag worden buitengezet. Mijn vrouw en ik keken elkaar fronsend aan. ‘Zelfs geen plantenbak?’ Was een terras niet uitsluitend bedoeld om gezelligheid te creëren? ‘Verderop wordt de laatste tijd soms wel een plant buitengezet,’ zei de serveerster. Op de punten van haar tenen wierp ze een blik op het terras van de buren. ‘Eens zien hoelang dat standhoudt …’ In mijn overmoedige verbijstering opperde ik onmiddellijk, en wel meteen, een brandbrief te gaan schrijven aan de burgermeester van deze stad. Als er niet eens een godvergeten plant mocht worden buitengezet op de terrassen, en er niet een beetje achtergrondmuziek mocht klinken, dan kon hij zijn overige werkzaamheden ook maar beter meteen staken, die burgermeester. Mijn vrouw en ik proostten triomfantelijk op deze pasklare conclusie. En pas om tien voor negen zakte de zon aan de overkant achter de gebouwen. Maar zelfs in de schaduw bleef het lekker. Twee biertjes later zijn we rustig naar huis gefietst.

Puzzelstukjes

24-5-2017

Vanuit zijn krant keek de Prakkiseur vanochtend op, hij staarde opeens stoïcijns voor zich uit. Vaak als hij iets las, maakt niet uit wat, of het nou de krant was of een of ander tijdschrift, konden zijn gedachten opeens zomaar afdwalen naar een ander onderwerp, dat eigenlijk totaal niets met de gelezen tekst te maken had. Een willekeurig onderwerp viel hem plotseling binnen, zodat het artikel in het geheel niet meer tot hem kwam, zelfs geen fragment. Gek genoeg lazen zijn ogen dan al denkend gewoon verder, de zinnen sleepten zich vanzelf voort, en de Prakkiseur kwam er alinea’s later, of soms zelfs hele pagina’s later pas achter dat hij was afgedwaald. Naar iets ver buiten de tekst. Iets volstrekt anders. Maar dat was nu niet het geval. Deze keer niet. Er stond nu welzeker iets in de krant dat aanleiding gaf om af te dwalen. Het was een stukje, slechts een paar luttele zinnen aan het einde van een alinea, onderaan rechts, dat hem deed staren. Afzinken. Waren het louter de woorden van Kitty Saal, of toch op de een of andere manier nog de woorden van Harry Mulisch, die hij daar las? Hoopvol en onaangenaam tegelijk, zo voelde het. Alsof het een vreemdsoortige boodschap betrof, een waarschuwing van gene zijde – of waren het toch enkel de verbluffend mooie woorden, de schoonheid van de tekst, die hem deed vermoeden dat genialiteit soms overdraagbaar is? Hoe Harryaans kon het wezen? Het was een interview dat hij las, de Prakkiseur, over de voormalig levenspartner van Harry Mulisch, Kitty Saal dus. Eén van de laatste vragen die haar in het interview werd gesteld: ‘Is er leven na Harry Mulisch?’ Een interessante vraag natuurlijk, zeker voor een levenspartner. Daarop antwoordde Kitty Saal dat dat eerst tegenviel, maar dat zij daarna de draad weer had weten op te pakken. Ze was in de thuiszorg gaan werken. En inmiddels was er weer een man in haar leven… Toen kwamen die zinnen: ‘… Zoals een moeder van verschillende kinderen kan houden, kan een vrouw verschillende mannen liefhebben. Mensen passen aan verschillende kanten in elkaar. Net als puzzelstukjes’. Daarmee legde de Prakkiseur de krant rustig terzijde. Voor vandaag had hij genoeg gelezen. Hij stond op, liep door de achterdeur van zijn woning de tuin in. Nam plaats op het houten bankje. Luisterde naar de wind, de vogels. Dacht aan de schrijver. Aan puzzelstukjes. En keek voor zich uit.

 

De liefde

Provinciale_weg_232

19-5-2017

De Prakkiseur heeft al de spullen gereed gemaakt en stapt in zijn auto. Met de tomtom aan rijdt hij over de provinciale wegen, door uitgestrekte landerijen. Maar hij ziet niet veel, de Prakkiseur. Hij prakkiseert voornamelijk. De tomtom biedt hem daartoe voldoende gelegenheid, pijltje volgen, dat lukt nog wel. Deze keer is het ‘de liefde’ die hem bezighoudt. Zoals geluk te koop is, weet hij uit ervaring, zo is ook liefde te koop. En hij zal haar vandaag gaan halen, de liefde. Vooraf heeft de Prakkiseur het bedrag al overgemaakt, dat de liefde kost, daar hoeft hij niet meer over in te zitten. Hij parkeert zijn auto naast een afgelegen boerderij, er scharrelen wat kippen op het terrein. In de verte blaft een hond. Het miezert dus hij trekt zijn kraag op. Klopt aan de achterdeur. Een jonge vrouw doet open, ze glimlacht. De Prakkiseur wordt verwacht. Als ze aan tafel tegenover elkaar zitten, kijkt de vrouw hem wat langer aan. Ze zegt: ‘Dan is het eindelijk zo ver…’ Hij knikt. Eindelijk is het moment gekomen om de liefde in ontvangst te nemen. In een paar minuten doorlopen ze de nodige papieren. De liefde vergt blijkbaar enig papierwerk zoals geluk vaak enig papierwerk vergt. Daarna gaan ze naar buiten, samen. Vanachter een laag gaas, waar een aantal puppy’s spelen, tilt ze de juiste pup tevoorschijn. Ze toont hem. Groene nieuwsgierige ogen en flaporen. Zo kan de liefde er dus uitzien. De Prakkiseur opent de achterklep van zijn auto en vraagt of de vrouw misschien de pup in de Bench wil zetten. Hij ziet dat het haar moeite kost het los te laten. Daarvoor heeft hij alle begrip. Bij de overdracht van liefde mag wel even worden stilgestaan, daar wordt nog wel eens makkelijk overheen gestapt, vindt de Prakkiseur. Dan rijdt hij rustig van het terrein af. In zijn achteruitkijkspiegel ziet hij de vrouw kleiner worden. De pup staat trillend op achterpoten in de Bench, kijkt door de achterruit. Jankt steeds luider. Het gejank wordt pas na een half uur rijden minder, tot het kleinnood moe in slaap sukkelt. De Prakkiseur ziet het in zijn spiegel. De liefde heeft zojuist het nest verlaten en krijgt een ander onderkomen.