Lijk

Vroeg in de avond komt het telefoontje met de vooraankondiging: er ligt een lijk in een woning dat weggehaald moet worden. En het ligt er al een tijdje. Onze kazerne is van de gas- en chemiepakken en dergelijke, of wij het kunnen doen? Van hogerhand is al besloten dat wij dat kunnen. Maar we horen het straks nog, waarschijnlijk tegen tienen pas want op dit moment wordt er nog druk overleg gepleegd over hoe en wat. Ik zeg: ‘Inderdaad, wij hebben de chemiepakken, maar die zullen misschien na afloop dan wel vernietigd moeten worden.’ In de wacht licht ik de mannen in. Ze mogen zich alvast voorbereiden op wat mogelijk komen gaat, een bijzondere inzet, het lijk zou ook op een ongemakkelijke plek liggen en misschien niet in zijn geheel te verplaatsen zijn.  ‘Zullen we het sporthok induiken?’ hoor ik een collega vragen. Een andere collega schenkt zwijgend de koffie bij. Later op de avond, we staan bij een buitenbrand, (boom in brand) komt het tweede telefoontje. De mogelijke berging is nog niet van de baan, we horen het binnen nu en een half uur. Ze zijn aan het overleggen. ‘Oké,’ zeg ik. ‘We horen het zo, het zal geen makkelijke klus worden hoor, maar goed.’ Bij het laatste telefoontje krijg ik te verstaan, dat ze het anders gaan oplossen. Wij zijn daar niet nodig. Opgelucht hang ik op. We hoeven die bijzondere klus niet aan te gaan. Ik wil het de mannen vertellen, dat die klus niet doorgaat, en op dat moment gaat de pieper: een eenzijdig auto-ongeluk.

Gerelateerde artikelen