Meerdan

Het is maandagochtend en de straten zijn rustig bevolkt door enkelingen. Ik ben opzoek naar een zwembroek: die groene kan echt niet meer. Op de hoek van de Oude Binnenweg zit een koffietentje, de Coffeecompany. Daar stap ik eerst naar binnen. Er zijn veel verschillende soorten verkrijgbaar, heel veel. ‘Doe mij maar een kop koffie alsjeblieft,’ zeg ik tegen de jongeman achter de balie. Hij stelt verder geen vragen en doet keurig zijn werk. Voor de deur zoek ik een plekje in de schaduw. Het is lekker buiten en de enkelingen komen voorbij in nog veel meer soorten dan dat er binnen koffie verkrijgbaar is. Ik denk bij mezelf: dit moet ik echt vaker doen, hiernaartoe op de maandagmorgen. Dit is heerlijk. Met minuscuul kleine pasjes komt dan een man voorbij, stijf rechtop. Hij draagt een vieze jas, de blote voeten steken in kapotte slippers en onder zijn arm klemt een plastic tas. Ik ken hem, de man: het is de Iraniër die ik vroeger zo vaak voorbij zag lopen, overal, het hele jaar rond. Altijd onderweg naar nergens. In mijn gedachte zie ik hem nog op regenachtige dagen over de Westzeedijk sjokken in de volle wind; dan weer in de schaduwen van de Blaak; op de Coolsingel stoppend bij een vuilnisbak. Ooit sprak ik hem spontaan aan, toen vertelde hij dat hij een gevluchte Iraniër is. Hij had een opvallend heldere stem, herinner ik me, zwart glanzend haar in slagen naar achter en heel helderblauwe ogen. Het vage beeld dat ik van zwervers had is toen voorgoed gekeerd. Als de kop leeg is en het ongeduld vol, loop ik een ouderwets boekwinkeltje binnen aan de overkant, het lonkte al een poosje. Hier verkopen ze geen rotzooi, en ik neem twee boeken mee. In mijn loop op de terugweg, passeer ik de Iraniër en ik kijk terloops achterom. Hij ziet me, de Iraniër, en hij maakt meteen een kort maar niet te missen geldgebaar. Nonchalant doorlopen lukt niet meer, dus ik ga naar hem toe. Van dichtbij blijkt hij de overgroot opa van zichzelf geworden; verweerd, verschrompeld, grijs vallend pluishaar en een ondergebit dat nog het meest doet denken aan brokjes en puntjes ijzererts opstekend uit het tandvlees. Voor de zekerheid vraag ik: ‘Jij bent de Iraniër?’ Hij knikt. En als ik erom vraag begint hij te vertellen. Zijn naam spreekt hij uit als ‘Meerdan’, wat ik heel goed bij hem vind passen. Hij komt uit ‘Perzië’ maar daar was het niet langer veilig en nu loopt hij hier al ongeveer vijfentwintig jaar rond. In de middag gaat hij naar het ‘Leger des Heils, aan de Coolhaven’, en hij krijgt ‘vijf euro per dag’. In mijn zakken zoek ik haastig naar wat losgeld; hij reageert zeer dankbaar als ik hem wat geef. Daarna gaan we uit elkaar. Ik kijk nog even om. Met minuscuul kleine stapjes gaat hij in de tegengestelde richting verder, stopt even, gaat weer verder, stopt even. Dit houdt hij geen vijfentwintig jaar meer vol. Ik besluit weg te gaan, morgen weer dienst. Die groene zwembroek kan nog wel even.

Gerelateerde artikelen