Voetsporen

Om vanaf de camping naar het strand te komen, moeten we over een enorme hoge duin van mul zand klimmen. Op de heenweg gaat dat nog redelijk, we hebben de zee als beloning voor ons liggen en duiken er ook meteen in als we aankomen. Het duin is snel vergeten. Maar in de namiddag, bepakt en bezakt als een ezel, kom ik ploeterend en hijgend halverwege tot stilstand. Het hoofd bonkt. Ik vervloek dat duin. Vrij vlot aan de rechterzijde dan passeert mijn nichtje me. Ze zegt omkijkend: ‘Het is fijn om in de voetstappen van iemand anders te lopen, gaat een stuk makkelijker…’ Ik laat mijn tas neer, en ik zie haar door de voetsporen van voorgangers rap naar boven klimmen. Buitensporigheid is een overschatte levenshouding, denk ik bij mezelf. Ben ik misschien van de generatie die het mijden van de gebaande paden onbewust als een ideaal ziet? Is het zo diep ingesleten dat ik het zelf niet meer door heb – of sta ik nu gewoon te hallucineren? Ik veeg het zweet van mijn hoofd. Boven aan het duin wuift mijn nichtje naar me, haar oom mag nu wel eens doorklimmen. Ik pak mijn tas op en volg trouw haar voetsporen.

Gerelateerde artikelen